In dit hoofdstuk vindt u informatie over het gebruik van de functies voor afdrukken, bewerken en gegevensoverdracht in emulatorsessies. Verder worden een aantal mogelijkheden beschreven van de menuopties Acties, Beeld en Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie van de emulatorsessie.
Personal Communications kan worden gebruikt in combinatie met ondersteunende technologie ("assistive technology"), zoals bijvoorbeeld schermleesprogramma's, voor gebruikers met een fysieke handicap. Hieronder worden enkele uitbreidingen beschreven die betrekking hebben op de toegankelijkheid van het pakket voor deze gebruikers.
Personal Communications bevat ondersteuning voor de opties Geluidsbeschrijving en Geluidswaarschuwing die beschikbaar zijn via de Windows-functies Configuratievenster -> Toegankelijkheidsopties-> Geluid. Als u de optie Geluidsbeschrijving gebruiken selecteert, wordt op de statusbalk een tekst afgebeeld met een beschrijving van reden waarom een geluidssignaal is gegenereerd.
U kunt het genereren van geluidssignalen door Personal Communications uitschakelen via de optie Geluid in het venster Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen -> Geluid.
Gebruikers kunnen een wisseltoets definiëren waarmee Personal Communications spaties en nulltekens in een invoerveld afwisselend door een ander teken kan vervangen en weer kan terugzetten. Deze optie biedt schermleesprogramma's de mogelijkheid om de lengte van het veld aan te geven voor gebruikers met een visuele handicap. Dit heeft geen invloed op de gegevens die naar de host worden verzonden of daarvan worden ontvangen -- slechts de beeldschermweergave en de omzetting van beeld naar gesproken woord door het schermleesprogramma worden beïnvloed. Standaard staat deze functie niet ingeschakeld.
Voor 3270- en VT-emulators is het standaard opvulteken een spatie. Voor 5250-emulators is het standaard vervangingsteken een liggend streepje. Desgewenst kunt u een ander teken kiezen.
Tijdens de emulatiesessie kunt u het schermleesprogramma op elk moment aan- of uitzetten. Om de wisselfunctie voor het schermleesprogramma toe te wijzen aan een toets selecteert u Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord. Klik op Aanpassen om het dialoogvenster Toetsenbord instellen te openen. Zie de online Help voor een overzicht van de beschikbare toetsenbordfuncties.
Voor een toegankelijke versie van het OIA-informatiegebied (de onderste regel van het sessievenster) kunt u het uitgebreide OIA-venster afbeelden. Klik op Beeld -> Uitgebreide OIA vanaf de menubalk. U kunt ook de optie Uitgebreide OIA afbeelden selecteren uit het systeemmenu van de sessie. U kunt het aantal regels dat in het uitgebreide OIA-venster wordt afgebeeld, wijzigen via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Venster instellen.
Om het uitgebreide OIA-venster te activeren zodat een schermleesprogramma de informatie erin kan interpreteren, moet u een toets toewijzen aan de functie OIA: Uitgebreide OIA aan/uit. Met deze toets kunt u dan afwisselend het sessievenster en het uitgebreide OIA-venster activeren. Wanneer u het uitgebreide OIA-venster met een toets activeert, wordt de actieve cursorpositie altijd de eerste regel van het OIA-informatiegebied. Op het moment dat u het sessievenster weer activeert, moet de cursor terugkeren naar de positie waarop deze zich bevond toe u het uitgebreide OIA-venster activeerde. Raadpleeg de online Help vanuit de dialoog Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord -> Aanpassen voor meer informatie over de toewijzing van toetsen.
Hoewel de meeste gebruikers de pop-up toetsenblokken zullen gebruiken in combinatie met een muis, kunt u deze toetsenblokken zo instellen dat ze ook te gebruiken zijn met alleen het toetsenbord. Om een toetsenblok zonder muis af te beelden (en te gebruiken) moet u enkele toetsen toewijzen via de dialoog Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord -> Aanpassen.
Met de de functie Toetsenblok afbeelden activeert u het laatst gebruikte toetsenblok opnieuw. De functies Toetsenblok 1 afbeelden, Toetsenblok 2 afbeelden, Toetsenblok 3 afbeelden en Toetsenblok 4 afbeelden zijn bedoeld voor het afbeelden en activeren van een specifiek pop-up toetsenblok. Door het indrukken van de spatiebalk of de Enter-toets voert u de functie uit die is toegewezen aan de huidige actieve toets van het afgebeelde toetsenblok.
Als u werkt met een "plakkend" toetsenblok, blijft het toetsenblok actief totdat u het expliciet sluit. Standaard verdwijnt een toetsenblok wanneer u een van de daarop beschikbare knoppen kiest. Om vanuit het sessievenster zonder een muis een plakkend toetsenblok te activeren moet u de functie Toetsenblok activeren toewijzen aan een toets. Omdat u de toetscombinatie Ctrl-Tab moet gebruiken om vanuit een plakkend toetsenblok het terug te gaan naar de sessie, is het niet raadzaam om de functie Toetsenblok activeren aan deze toetscombinatie toe te wijzen.
Personal Communications voldoet aan de vereisten van de functie voor energiebeheer van Windows 2000 voor de verwerking van energiebesparingsevents (standby en slaapstand). Dit verkleint de kans op verbreking van de verbinding tijdens een sessie als gevolg van een energiebesparingsevent onder Windows 2000 en daarvan afgeleide versies.
In het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren kunt u instellen dat het systeem zonder om bevestiging te vragen mag overschakelen op standby of naar de slaapstand. Standaard wordt u, als er een of meer sessies met een actieve verbinding zijn, eerst gevraagd of het systeem kan overschakelen op standby of naar de slaapstand. Als er geen sessies met actieve verbindingen zijn, laat Personal Communications het systeem zonder waarschuwing overschakelen naar de gevraagde energiebesparingsstand. Zie Standby/slaapstand.
Raadpleeg Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over energiebeheer.
Als u een 3270- of 5250-beeldstationsessie configureert, kunt u in Personal Communications een bijbehorende printersessie opgeven. Deze functie is geïmplementeerd in Communications Server, iSeries, eServer i5- en System i5 TN5250- en zSeries TN3270E-servers. Dit is een unieke Telnet-functie die niet beschikbaar is in SNA-omgevingen.
De voordelen hiervan zijn:
Als u een sessie configureert en u wilt dat op de server een bijbehorende printersessie wordt gedefinieerd, gaat u als volgt te werk:
U kunt ook de volgende opties instellen:
Via het venster Printersessie configureren kunt u de opties voor een 3270- of 5250-printersessie instellen. U opent dit venster via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Printersessie configureren. U kunt ook een pictogram voor het venster Printersessie configureren toevoegen aan de werkbalk van de sessie.
De volgende aanpassingsopties zijn beschikbaar:
U kunt de volgende items toevoegen aan de tekstgegevens:
| Verbindingsstatus | Als deze optie is geselecteerd, wordt Verbonden afgebeeld als de sessie een actieve verbinding heeft. Verbinding verbroken wordt afgebeeld wanneer er geen verbinding beschikbaar is. |
| Hostnaam | De hostnaam of het IP-adres voor de verbinding. |
| Hosttype | Het type hostsysteem waarmee de sessie is verbonden. |
| Interface | Het in het venster Communicatie aanpassen geselecteerde interfacetype. |
| Aansluiting | De voor de sessie geselecteerde fysieke en logische verbinding. |
| WS-profiel | Als de sessie is gestart vanaf een opgeslagen werkstationprofiel (WS-bestand), wordt de naam van het profiel afgebeeld. Dit veld is blanco voor een nieuw geconfigureerde sessie. |
| Hostcodetabel | De in het venster voor de configuratie van de hostsessieparameters geselecteerde codetabel. |
De onderstaande weergaveopties hebben betrekking op het geselecteerde apparaat en de instellingen van de dialoogopties Sessieparameters - 5250-host > Uitgebreid. Deze opties zijn alleen beschikbaar voor 5250-sessies.
| Apparaatstatus | Als deze optie is geselecteerd, wordt Gestart afgebeeld als het apparaat de status Gereed heeft. Wanneer dit niet het geval is, wordt Gestopt afgebeeld. |
| Werkstation-ID | De apparaatnaam voor de sessie. |
| Berichtenwachtrij/ bibliotheek | De Berichtenwachtrij en Berichtenbibliotheek zoals opgegeven in het venster Sessieparameters -> Uitgebreid. |
| Lettertype host | Het hostlettertype zoals geselecteerd in het venster Sessieparameters -> Uitgebreid. |
| HPT | Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Afdrukconversie in host is ingeschakeld. FALSE wordt afgebeeld als HPT niet is ingeschakeld. |
| HPT-printermodel | Als deze optie is geselecteerd, wordt het Printermodel afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| HPT-lade 1 | Als deze optie is geselecteerd, wordt HPT-lade 1 afgebeeld als papierformaat. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| HPT-lade 2 | Als deze optie is geselecteerd, wordt HPT-lade 2 afgebeeld als papierformaat. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| Enveloppen- invoermagazijn | Als deze optie is geselecteerd, wordt het Enveloppeninvoermagazijn afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| Aanpassings- object/bibliotheek | Als deze optie is geselecteerd, worden Aanpassingsobject en Aanpassingsbibliotheek afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| ASCII-codetabel 899 | Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE of FALSE, afhankelijk van of ASCII-codetabel 899 al dan niet is ingeschakeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld. |
| Printer | De naam van de voor de sessie geselecteerde printer. |
| PDT-bestand | Het voor afdrukken gebruikte printerdefinitiebestand. |
| Schrijfrichting hostbestand
(Bidirectionele 3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als voor het hostbestand de schrijfrichting van rechts naar links is. |
| Haakjes spiegelen
(Arabische 3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als de optie Haakjes spiegelen is ingeschakeld. |
| Getallen spiegelen
(Arabische 3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als de optie Getallen spiegelen is ingeschakeld. |
De onderstaande weergaveopties hebben betrekking op het werkstationprofiel en het venster Pagina-indeling. Voor 3270-sessies vindt u de vermelde opties op de pagina's Tekst en Tekstopties. Voor 5250-sessies vindt u de vermelde opties op de pagina's Schrijfrichting en Uitgebreide opties.
| CPI/LPI
(3270-sessies) |
De aantallen tekens en regels dat per inch wordt afgedrukt. |
| MPL/MPP
(3270-sessies) |
De maximale afdrukregel en maximale afdrukpositie. |
| Lettertype
(3270-sessies) |
Het apparaatlettertype van het printerstuurprogramma. |
| Marge links/boven
(5250-sessies) |
De marges links en boven. |
| Lade 1 | De afdrukrichting voor lade 1. |
| Lade 2 | De afdrukrichting voor lade 2. |
| Schaling op pagina | Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als in het WS-profiel de optie Bestfit is ingeschakeld. Als Bestfit niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Nullregels onderdrukken
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Nullregels onderdrukken is ingeschakeld. Als Nullregels onderdrukken niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Nulltekens als spaties
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Nulltekens als spaties is ingeschakeld. Als Nulltekens als spaties niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| FF op eerste PP negeren
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als FF op eerste PP negeren is ingeschakeld. Als FF op eerste PP negeren niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Instelling voor negeren FF op eerste PP afbeelden
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Instelling voor negeren FF op eerste PP afbeelden is ingeschakeld. Als Instelling voor negeren FF op eerste PP afbeelden niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| CR op MAX PP + 1
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als CR op MAX PP + 1 is ingeschakeld. Als CR op MAX PP + 1 niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| NL op MAX PP + 1
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als NL op MAX PP + 1 is ingeschakeld. Als NL op MAX PP + 1 niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| FF - Alle posities / Kolom 1
(3270-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als FF - Alle posities / Kolom 1 is ingeschakeld. Als FF - Alle posities / Kolom 1 niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Automatische afdrukrichting
(5250-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als automatische instelling van de afdrukrichting is ingeschakeld. Als automatische instelling van de afdrukrichting niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Codetabel voor lettertypen
(5250-sessies) |
De codetabel voor de printerlettertypen die wordt gebruikt voor afdrukken op het werkstation. |
| Geen terugloop tussen velden
(5250-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Geen terugloop tussen velden is ingeschakeld. Als Geen terugloop tussen velden niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Vette tekst normaal
(5250-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Vette tekst normaal is ingeschakeld. Als Vette tekst normaal niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
| Rasterlettertypen gebruiken
(5250-sessies) |
Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Rasterlettertypen gebruiken is ingeschakeld. Als Rasterlettertypen gebruiken niet is ingeschakeld, wordt FALSE afgebeeld. |
Met Personal Communications kunt u vanuit beeldstationsessies of printersessies afdrukgegevens naar een printer sturen:
Als u slechts een gedeelte van het sessievenster wilt afdrukken, maakt u door met de muis te slepen een beelduitsnede rondom het gedeelte van het venster dat u wilt afdrukken en kiest u Schermafdruk maken uit het menu Bestand.
Configureer een printersessie om een werkstationprinter te definiëren als systeemprinter die gebruikmaakt van de printerdefinitietabellen (PDT-bestanden) die met Personal Communications zijn meegeleverd of van de printerstuurprogramma's van Windows. Zie de online Help voor meer informatie.
U kunt op de volgende manieren afdrukken:
Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van printers de handleiding Emulator User's Reference.
Met behulp van de functie Scherm toevoegen kunt u de gehele scherminhoud of een deel ervan toevoegen aan een verzameling vastgelegde schermafdrukken. Vervolgens kunt u de verzamelde schermafdrukken in een keer naar de printer sturen via de optie Verzameling afdrukken.
Om de huidige scherminhoud geheel of gedeeltelijk toe te voegen aan de huidige verzameling, kiest u Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Scherm toevoegen. Om alle verzamelde schermen naar de printer te sturen kiest u Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling afdrukken.
U kunt alle verzamelde schermafdrukken verwijderen zonder ze af te drukken via de menuopties Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling wissen. U kunt geen afzonderlijke schermen uit de verzameling verwijderen.
Met de optie Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling afdrukken bij afsluiten zorgt u ervoor dat de verzamelde schermafdrukken naar de printer worden gestuurd op het moment dat u de sessie afsluit of de verbinding verbreekt. Deze optie is standaard ingeschakeld. Als u de sessie wilt beëindigen zonder dat de verzamelde schermen worden afgedrukt, moet u de selectie van de optie Verzameling afdrukken bij afsluiten ongedaan maken. Wanneer u daarna de sessie afsluit of de verbinding verbreekt, worden de verzamelde schermen gewist.
U kunt de functies Scherm toevoegen en Verzameling afdrukken toevoegen aan de werkbalk, aan een pop-up toetsenblok of aan een toetsenborddefinitie. Net als voor de normale functie voor schermafdrukken worden de instellingen gebruikt van het venster Pagina-instelling.
In de werkstand PDT is een optie beschikbaar voor het afdrukken van meerdere schermen op één pagina. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie.
U kunt 5250-afdruktaken verzamelen en deze als één taak of in een groep afdrukken. De verzamelde afdruktaken worden opgeslagen in een .SCS-bestand.
U kunt de volgende sleutelwoorden in het .WS-profiel instellen om het pad en de bestandsnaam voor het .SCS-bestand op te geven:
[Printers] SCSFile=<bestandsnaam>.scs SCSPath=<lokaal pad>
De functies die horen bij deze functie worden hieronder vermeld. De functies kunnen worden toegewezen aan het toetsenbord, het toetsenblok, de muisknop of een werkbalkknop.
Wanneer de Verzamelwerkstand is gestart, worden verzonden afdruktaken opgeslagen in het .SCS-bestand. Ze worden niet onmiddellijk afgedrukt.
De opgeslagen afdruktaken worden als één taak naar de printer gezonden.
De verzamelde afdruktaken worden gewist.
Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het toewijzen van de functies.
Met het profielsleutelwoord CombineJobs kunt u de taken verzamelen voor afdrukken, terwijl u ze als afzonderlijke taken behoudt (in plaats van één taak in het .SCS-bestand). Geef het .WS-sleutelwoord als volgt op:
[Printers] CombineJobs=N
Als u CombineJobs instelt op N, stuurt de functie Verzameling afdrukken de afzonderlijke, verzamelde taken naar de printer. Zolang de Verzamelwerkstand actief is en het sleutelwoord is ingesteld op Y of niet is opgegeven, worden de afdruktaken gecombineerd tot één taak in het .SCS-bestand.
U stelt uw printer als volgt in voor gebruik van een printerstuurprogramma van Windows:
In het venster Printerinstelling worden de ondersteunde printers afgebeeld.
Personal Communications gebruikt nu het door u geselecteerde printerstuurprogramma en het venster Printerinstelling wordt gesloten.
Met PDT-bestanden definieert u de overdracht van tekens en stuurcodes naar een printer en de indeling van de printeruitvoer. Als u een PDT-bestand gebruikt, wordt het printerstuurprogramma van Windows niet gebruikt en genereert Personal Communications de printeruitvoer op basis van de gegevens voor de printerbesturing die in het PDT-bestand zijn gedefinieerd.
Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over PDT-bestanden.
U gebruikt PDT-bestanden als volgt:
Het venster Printerinstelling wordt afgebeeld.
Afhankelijk van welke poort u hier selecteert, zijn bepaalde PDT-bestanden al dan niet bruikbaar.
Het venster PDT-bestand Kiezen wordt afgebeeld.
Als u een 5250-printersessie configureert, kunt u de werkstand voor afdrukconversie door de host selecteren. Als u de functie Afdrukconversie op host wilt gebruiken, voert u de volgende stappen uit:
In Personal Communications kunt u gebruikmaken van de functie Afdrukconversie van afbeeldingen voor het afdrukken van afbeeldingen in 5250-printersessies, indien u afdrukconversie door de host gebruikt. Raadpleeg de meest recente documentatie over het maken van afdrukken op IBM iSeries-, eServer i5- of System i5-systemen voor meer informatie.
Met Personal Communications kunt u parameters instellen voor de pagina-indeling, zoals het maximumaantal regels per pagina, het maximumaantal kolommen en de lettertypen. U kunt ook een kop- of voettekst toevoegen aan een pagina.
Raadpleeg Emulator User's Reference voor gedetailleerde informatie en instructies over de pagina-instelling.
Omdat er geen speciale APL-tekens voor printers bestaan, worden bij het afdrukken van APL-tekens de APL-lettertypen voor beeldschermen gebruikt. In sommige gevallen worden APL-tekens nogal klein afgedrukt. Als u grotere APL-tekens wilt afdrukken, moet u het Personal Communications-lettertype AICAPL installeren via het Windows-venster Configuratiescherm -> Lettertypen.
Met ZipPrint kunt u memo's en agenda's van PROFS of OfficeVision, OfficeVision-documenten, CMS-bestanden, XEDIT-werkruimten en 3270-sessieschermen afdrukken.
Voordat u ZipPrint kunt gebruiken, moet DDE/EHLLAPI worden ingeschakeld voor de sessie. U doet dit door Bewerken -> Voorkeuren -> API-instellingen te kiezen en in de online Help de gedetailleerde instructies daarvoor te volgen. Standaard is DDE/EHLLAPI ingeschakeld.
U start ZipPrint voordat u beeldstationsessies start. Het menu van ZipPrint wordt toegevoegd aan de menubalk van het opgegeven sessievenster. U kunt het menu gebruiken vanaf de menubalk, op dezelfde manier als de andere functies.
U start ZipPrint door op het pictogram ZipPrint te klikken in de programmamap van Personal Communications. Op deze manier start u ZipPrint alleen voor Sessie A.
U kunt ZipPrint ook starten door deze functie als eerste opdracht op te nemen in een batchbestand van Personal Communications.
Meer informatie over ZipPrint en het gebruik van ZipPrint voor extra emulatorsessies vindt u bij het onderwerp ZipPrint in de Help.
Houd bij het gebruik van ZipPrint rekening met de volgende punten:
ZipPrint gebruikt de functie voor bestandsoverdracht van Personal Communications voor het afdrukken van VM/CMS-memo's en -bestanden. Op trage communicatielijnen, zoals SDLC-, Async (IIN)- of Home3270-verbindingen, of bij gebruik van een grote pakket- of blokgrootte kan er een time-out optreden bij de bestandsoverdracht. In dit geval moet u de waarde voor de time-out als volgt verhogen:
Als u ODPS gebruikt (PROFS voor Japans of een andere DBCS PROFS), gebruikt ZipPrint het lettertype Hankaku (SBCS). Als u een ZENKAKU-lettertype gebruikt, zoals KANJI of HIRAGANA, moet u de instellingen voor het lettertype als volgt wijzigen:
Voor Hebreeuwse en Arabische sessies ondersteunt Personal Communications de volgende ZipPrint-functies:
Voor bidirectionele sessies bepalen de specifiek bidirectionele parameters voor bestandsoverdracht de functionaliteit van ZipPrint.
Om de omkering van numerieke tekens die worden voorafgegaan door bidirectionele tekens uit te schakelen, kunt u het lettertype Typing Arabic gebruiken voor Arabische ZipPrint-sessies en het lettertype Cumberland Hebrew voor Hebreeuwse sessies.
Opmerking: Om voor ZipPrint het lettertype Typing Arabic te kunnen gebruiken, moet u bij de instellingen voor bestandsoverdracht codetabel 1008 opgeven.
U kunt het beste IBM5585.PDT gebruiken voor het afdrukken in de werkstand PDT op de IBM 5586-H02-printer.
U kunt de inhoud van een sessievenster wijzigen met behulp van het klembord van Windows en het menu Bewerken.
U kunt bepalen hoe tekst om beschermde velden heen wordt geplakt, en hoe tekst waarin tabs voorkomen, na het plakken wordt afgebeeld. De onderstaande Plakfuncties zijn beschikbaar.
Standaard wordt elk tabteken vervangen door 1 spatie.
U kunt de grootte van het te kopiëren gedeelte bepalen met behulp van numerieke velden met tekenbit (alleen 5250).
U kunt de beelduitsnede zelf instellen.
Als u koppelingen maakt met toepassingsprogramma's voor Windows die de functie Koppeling plakken ondersteunen, kunt u gegevens uit sessievensters in vensters van die programma's plakken. U kunt de optie Koppeling plakken kiezen als u DDE/EHLLAPI kunt gebruiken.
Als u wilt controleren of DDE/EHLLAPI kan worden gebruikt, voert u de volgende stappen uit:
Als het aankruisvakje is geselecteerd, kunt u DDE/EHLLAPI gebruiken. Ga verder met stap 4.
Als het sessievenster al is gekoppeld aan een toepassingsprogramma, wordt Koppeling kopiëren grijs afgebeeld en kan dan niet worden gekozen. Als dit het geval is, moet u de koppeling verbreken of het toepassingsprogramma afsluiten. Hierna kunt u Koppeling kopiëren weer kiezen.
De inhoud van het gemarkeerde gebied wordt op de aangegeven plaats in het venster van het toepassingsprogramma geplakt.
De bewerking Koppeling kopiëren is nu voltooid.
Als de inhoud van het gemarkeerde gebied in het sessievenster tijdens de koppeling wordt gewijzigd, wordt ook de inhoud van het hieraan gekoppelde gebied in het venster van het toepassingsprogramma gewijzigd.
Raadpleeg de online Help voor meer informatie over de functies Koppeling kopiëren en Koppeling plakken.
Met de opties Knippen, Kopiëren, Koppeling kopiëren of Kopiëren/toevoegen uit het menu Bewerken kunt u gegevens uit het sessievenster kopiëren naar het venster van een spreadsheettoepassing voor Windows.
Om de kopieerbewerking uit te voeren, gebruikt u de optie Plakken of Koppeling plakken in het venster van het toepassingsprogramma waar u de gegevens naartoe wilt kopiëren.
Bij het kopiëren van de gegevens uit het gemarkeerde gebied kunnen drie gegevensindelingen worden gebruikt, die door verschillende spreadsheetprogramma's worden ondersteund:
Afzonderlijke gegevens in de tabellen van het sessievenster worden automatisch gesplitst en geschikt gemaakt voor spreadsheets. De gegevens worden gekopieerd naar afzonderlijke cellen in de tabellen van het toepassingsprogramma.
Als u de gegevens per regel in het gemarkeerde gebied wilt plakken, dus zonder deze over afzonderlijke cellen te verdelen, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:
[Edit] Sylk=N (Om Sylk-gegevens niet over cellen te verdelen) Biff3=N (Om Biff3-gegevens niet over cellen te verdelen) Wk3=N (Om Wk3-gegevens niet over cellen te verdelen)
Speciale tekens zoals +, -, = of | die zich bevinden in het gemarkeerde gebied, worden beschouwd als lijnen van een tabel. Deze worden verwijderd en alleen de numerieke gegevens worden gekopieerd.
| 1 | 2 | 3 | 4 | |
| 1990 | 60 | -63 | 71 | +58 |
| 1991 | +69 | 69 | 90 | 80 |
| 1992 | 71 | +80 | 80 | -30 |
| 1 | 2 | 3 | 4 | |
| 1990 | 60 | -63 | 71 | 58 |
| 1991 | 69 | 69 | 90 | 80 |
| 1992 | 71 | 80 | 80 | -30 |
Als u deze speciale tekens wilt kopiëren zonder ze te vervangen door nulltekens, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:
[Edit] MaskGridCharacter=N
De gegevens in het gemarkeerde gebied worden standaard beschouwd als numerieke gegevens. Daarom worden valutasymbolen (zoals $) en leestekens (zoals komma's) verwijderd voordat de kopieerbewerking wordt uitgevoerd. Als u gegevens waarin dit soort tekens voorkomen niet als numerieke gegevens wilt kopiëren maar als tekst, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:
[Edit] ConvertToNumeric=N
Als u dit hebt gedaan, worden de gegevens in gemarkeerde gebieden waarin dit soort tekens voorkomen, gekopieerd als tekst. Numerieke gegevens zonder speciale tekens worden zo echter ook gekopieerd als tekst.
Als u een Home3270-aansluiting gebruikt, gelden er beperkingen voor de volgende bewerkingsfuncties:
Als u een van de opties Knippen of Wissen kiest, kunt u het beste alleen het gebied opgeven dat u echt nodig hebt (bijvoorbeeld een paar woorden of één veld op één regel) en vervolgens controleren of het kader zich bevindt in een niet-beschermd veld.
Als u de optie Plakken kiest, kunt u het beste een zo kort mogelijke tekenreeks plakken (bijvoorbeeld een tekenreeks zonder CR/LF). Controleer of het gebied dat u wilt plakken zich in een niet-beschermd veld bevindt.
Standaard wordt voor een sessie IME automatisch gestart, wat betekent dat wanneer de cursor naar een DBCS-veld wordt verplaatst, de voor het systeem geselecteerde IME automatisch wordt geactiveerd. In PCSWIN.INI is een parametervlag toegevoegd aan de sectie [DBCS] waarmee u deze functie uit kunt schakelen.
[DBCS] IME_AUTO_START=N
De standaardwaarde is Y (Ja). Als in het INI-bestand "N" is opgeven, wordt de IME niet automatisch geactiveerd. U moet de IME dan activeren via een systeemtoetscombinatie.
Met de GAIJI-editor J kunt u alleen GAIJI-bestanden verwerken die gemaakt zijn met de Windows 3.1 GAIJI-editor. DOS GAIJI-bestanden kunnen niet worden verwerkt. Het GAIJI-HENKAN-HOJO-hulpprogramma GAIJICNV.EXE kan als volgt worden gebruikt voor de conversie van DOS GAIJI-bestanden:
In het venster dat wordt geopend, kunt u een bronbestand en een doelbestand opgeven.
Voor elk bestand hoeft u de conversie slechts voor één lettertype uit te voeren (24x24 of 16x16), niet voor beide.
U kunt het door de gebruiker op een iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem gedefinieerde lettertype (GAIJI) omzetten naar Windows met behulp van IBM Personal Communications Tools/400 (PCT/400), IBM Personal Communications en de Gaiji-editor van Windows.
De procedure daarvoor is als volgt:
Deze opdracht wordt uitgevoerd op iSeries, eServer i5 of System i5. Hiermee kopieert u het image van het door de gebruiker gedefinieerde lettertype van de DBCS-lettertypetabel naar een bestand. Zie de documentatie bij PCT/400 voor meer informatie over deze opdracht.
Met behulp van de functie voor bestandsoverdracht kopieert u de bestandssectie die met de opdracht CPYUSRFNT is gemaakt, naar het Windows-systeem.
Dit programma voert u uit op het Windows-systeem. Hiermee kopieert u het met de opdracht CPYUSRFNT gemaakte lettertypebestand naar een GAIJI-bestand met Windows 3.1-indeling, zodat dit met de Gaiji-editor van Windows kan worden geopend.
Met de functie voor het vastleggen van het GAIJI-bestand met Windows 3.1-indeling kan het bestand worden geopend dat met het GAIJI-HENKAN-HOJO-hulpprogramma GAIJICNV.EXE is omgezet.
a. ADDLIBLE QPCT (Toevoegen van bibliotheek QPCT aan de
lijst van bibliotheken)
b. CPYUSRFNT (Kopiëren van lettertypen met standaard-
waarden voor de parameters)
Het fysieke bestand USRFNT wordt gemaakt in de bibliotheek QTEMP en de door de gebruiker gedefinieerde lettertypen worden vanaf de DBCS-lettertypetabel naar sectie USRFNT gekopieerd.
(Hiermee start u GAIJICNV.EXE.):
Met Personal Communications kunt u een of meer bestanden overbrengen van een host naar een werkstation en andersom. U kunt de opties voor bestandsoverdracht van tevoren definiëren, zodat u bestanden van verschillende typen snel en eenvoudig kunt versturen.
PCT400 is met ingang van 3/98 niet meer beschikbaar.
Met Personal Communications kunt u de volgende functies voor bestandsoverdracht uitvoeren:
U kunt ook bestanden verzenden met een EHLLAPI- of DDE-toepassing of een macro die de bestandsoverdracht start.
U kunt ook bestanden ontvangen met een EHLLAPI- of DDE-toepassing of een macro die de bestandsoverdracht start.
Wanneer u een bestand exporteert vanaf de host, ontvangt uw werkstation het geëxporteerde bestand en een IDP-bestand (Interchange Document Profile). Voordat u een bestand op uw werkstation kunt importeren, moet u eerst een IDP-bestand met transmissiegegevens maken.
Kies Voorkeuren -> Overdracht uit het menu Bewerken als u een IDP-bestand wilt maken.
Als u bestanden overbrengt van de ene naar de andere computer, moet u bepaalde protocollen volgen. U kunt alleen bestanden overbrengen als uw PC hetzelfde protocol gebruikt als de host. Personal Communications ondersteunt de openbare domeinprotocollen XMODEM en YMODEM.
Voor wat betreft XMODEM gebruikt Personal Communications de protocollen XMODEM en XMODEM1K. XMODEM is een blokgeoriënteerd protocol met automatische foutcontrole. Het is een half-duplexprotocol waarmee per overdracht één bestand kan worden verzonden. XMODEM1K is identiek aan XMODEM, alleen gebruikt dit protocol grotere pakketten van 1024 bytes (1 kB).
Het protocol YMODEM is vergelijkbaar met het protocol XMODEM1K in de zin dat hiermee gegevens worden overgebracht in pakketten van 1 kB, maar per overdracht kunnen er meerdere bestanden worden verzonden.
Met het protocol YMODEMG worden net als met YMODEM meerdere bestanden overgebracht, maar er worden geen foutopsporing en foutcorrectie uitgevoerd. De overdracht kan dan ook veel sneller gaan dan met YMODEM, maar de gegevensverbinding moet foutloos kunnen werken.
Met Personal Communications kunt u de volgende functies voor gegevensoverdracht naar of van ASCII-hosts uitvoeren:
Met de onderstaande opties kunt u de opmaak van het sessievenster aanpassen. Deze opties vindt u via het menu Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie.
Personal Communications biedt de mogelijkheid programmageluiden aan te passen via het Windows Configuratiescherm. U kunt bepaalde programmageluiden instellen met gebruikmaking van de geluidsbestanden die met Personal Communications worden meegeleverd.
Desgewenst kunt u alle programmageluiden onderdrukken. Deze optie is beschikbaar via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen -> Geluid.
De werkbalk wordt afgebeeld in het sessievenster, onder de menubalk. Met de werkbalk kunt u snel functies van Personal Communications oproepen, opties kiezen en gedefinieerde macro's uitvoeren.
Via het voorgrondmenu van de werkbalk kunt u snel en gemakkelijk werkbalkitems maken, wijzigen en verwijderen. Ook kunt u hiermee aangepaste werkbalken opslaan en laden. Als u de werkbalk aanpast, kunt u de volgorde van de items wijzigen en items toevoegen of verwijderen. Ook kunt u de aan een item gekoppelde functie, titel of grafische voorstelling wijzigen en de lettertypen, kleuren en andere visuele elementen van de werkbalk wijzigen. De instellingen worden opgeslagen in een BAR-bestand.
Als u de werkbalk wilt aanpassen, kiest u Voorkeuren -> Werkbalk -> Stijl werkbalk uit het menu Bewerken. U kunt ook het voorgrondmenu van de werkbalk afbeelden door de muisaanwijzer op een willekeurig gedeelte van de werkbalk te plaatsen en met de rechtermuisknop te klikken.
Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het aanpassen van de werkbalk.
Zie De menubalk, statusbalk of werkbalk afbeelden of verbergen voor informatie over het verbergen van de werkbalk.
U kunt de menubalk, statusbalk en werkbalk afbeelden of verbergen. Als de menubalk wordt afgebeeld, kunt u de statusbalk en de werkbalk afbeelden en verbergen via de menuoptie Beeld. U kunt ook het volgende doen:
Als u de menubalk verbergt, wordt de optie Menubalkopties toegevoegd aan het systeemmenu. Als u de optie Menubalkopties kiest, wordt een trapsgewijs menu afgebeeld met daarin alle opties uit de verborgen menubalk.
Als u de selectie van de optie Stijl maximumvenster -> Met titelbalk via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Venster instellen ongedaan maakt, dan heeft op sommige Windows-besturingssystemen de optie Alle vensters minimaliseren van de Windows-taakbalk mogelijk geen effect. Om het sessievenster in zo'n geval tot pictogram te verkleinen, moet u op Alt-Spatie drukken en Minimaliseren kiezen.
Met de in dit hoofdstuk beschreven hulpfuncties kunt u het systeem op een efficiëntere manier gebruiken. U kunt de Toetsenbord-/macro-/scriptfunctie aanpassen via de menuoptie Acties. De overige functies kunnen worden gewijzigd via het menu Bewerken.
Met de toetsenbord-/macro-/scriptfunctie kunt u macro's en scripts afspelen of toetsfuncties van Personal Communications kiezen zonder het toetsenbord te gebruiken. De macro's, scripts of toetsenbordfuncties worden uitgevoerd op de huidige cursorpositie in het sessievenster.
In de emulatoromgeving kunt u VBScripts schrijven, opnemen, uitvoeren en beëindigen. Deze scripts kunnen gebruikmaken van de HACL-automatiserings-API. Tot de verwerkingsomgeving voor programmeren behoren methoden, klassenbeschrijvingen en eigenschappen. VBScript is een subset van de programmeertaal Visual Basic.
Een macro is een reeks hostopdrachten of bewerkingen met de muis of het toetsenbord die u kunt starten met een enkele handeling, bijvoorbeeld een toetsaanslag. Voordat u een macro kunt gebruiken, moet u deze definiëren. Zie voor meer informatie Macro/script instellen en gebruiken.
Personal Communications bevat een groot aantal toetsfuncties die u kunt toewijzen aan de toetsen van het toetsenbord, de muisknoppen of de toetsen op het toetsenblok. U kunt de toetsfuncties ook gebruiken om macro's te maken.
CM Mouse is een voorbeeldtoepassing bij Personal Communications die intelligente en programmeerbare muisondersteuning voor 3270- en 5250-emulatiesessies biedt. Met behulp van CM Mouse kunnen gebruikers van hosttoepassingen met eenvoudige muisbewerkingen hostfuncties uitvoeren. Dankzij de toegepaste technologie voor schermherkenning worden bij de hotspots van CM Mouse vrijwel onmiddellijk contextgevoelige functies aangeboden voor elk venster van een hosttoepassing.
Voorgrondmenu's van CM Mouse bieden u rechtstreeks toegang tot een lijst met opties en functies die u op eenvoudige wijze met de muis kunt uitvoeren. Met behulp van voorgrondmenu's kunt u gemakkelijk opdrachten en opties kiezen en herhaalde bewerkingen automatiseren.
Raadpleeg de publicatie CM Mouse Support User's Guide and Reference voor meer informatie over CM Mouse.
Een hotspot is een gebied in het sessievenster waarop u met de linkermuisknop kunt klikken om een opdracht of functie uit te voeren. Hierbij hebt u het toetsenbord niet nodig. U kunt bijvoorbeeld dubbelklikken op het nummer van een functietoets om de bijbehorende functie uit te voeren.
U kunt de onderstaande handelingen definiëren voor een hotspot:
Als u een hotspot wilt gebruiken, voert u de volgende stappen uit:
Personal Communications bepaalt of u een hotspotfunctie hebt toegewezen aan het item dat wordt afgebeeld op de positie van de muisaanwijzer. Als dit het geval is, wordt de hotspotfunctie uitgevoerd. Als aan een tekenreeks twee of meer hotspots zijn toegewezen, wordt de eerst verkregen hotspot verwerkt.
Hotspots worden in de onderstaande volgorde uitgevoerd:
Met Toetsenbord instellen kunt u de functies wijzigen die zijn toegewezen aan de toetsen van het toetsenbord.
U kunt de volgende functies definiëren voor de toetsen:
Als u een nieuwe toets opgeeft, kunt u de nieuwe toetsenbordindeling opslaan in een KMP-bestand. Als u twee of meer toetsenbordbestanden maakt, kunt u deze desgewenst afwisselend gebruiken.
Ga als volgt te werk om een functie toe te wijzen aan een toets op het toetsenbord:
U kunt het hele toetsenbord opnieuw instellen op de beginwaarden of bepaalde toetsen instellen op de standaardwaarde:
Als u werkt met een VT-emulatorsessie, kunt u ASCII-stuurcodes opnemen in de tekenreeksen die u definieert voor uw aangepaste toetsenbord.
Gebruik het teken # voor de CTRL-toets gevolgd door een teken uit de volgende lijst (alleen hoofdletters zijn toegestaan):
@ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_
Gebruik ## voor het teken #. Zo staat 123##45 bijvoorbeeld voor 123#45.
Als # wordt gevolgd door een ander teken dan een van de afgebeelde tekens, ontvangt u een foutbericht:
PCSKBD160 - Onbekende toetsdefinitie: " tekenreeks
Voor de tekenreeks "#a luidt het foutbericht bijvoorbeeld
PCSKBD160 - Onbekende toetsdefinitie: "#a
De volgende stuurcodes zijn beschikbaar:
| Tekenpaar | Ctrl-toets | Opmerkingen |
|---|---|---|
| #@ | Ctrl-@ | null-waarde |
| #A | Ctrl-A | |
| t/m | ||
| #Z | Ctrl-Z | |
| #[ | Ctrl-[ | ESC |
| #\ | Control-\ | |
| #] | Ctrl-] | |
| #^ | Control-^ | |
| #_ | Ctrl-_ |
Omdat het KMP-bestand kan worden bewerkt met een editor, wordt tijdens de uitvoering gecontroleerd of de toegewezen tekenreeks toegestaan is. Als de reeks "### is opgegeven, wordt # afgebeeld en gevolgd door een geluidssignaal om aan te geven dat niet de gehele tekenreeks is afgespeeld. Als de reeks "123#a456 wordt verwerkt, wordt 123 afgebeeld en gevolgd door een geluidssignaal om aan te geven dat niet de gehele tekenreeks is afgespeeld.
Een macro is een reeks hostopdrachten of bewerkingen met de muis of het toetsenbord die u kunt starten met een enkele handeling, bijvoorbeeld een toetsaanslag. U kunt een bestaande macro wijzigen of een nieuwe macro maken door Voorkeuren -> Macro/script uit het menu Bewerken te kiezen.
Een script is een programma in VBScript, dat een subset is van de programmeertaal Visual Basic. Zie de online Help voor informatie over VBScript.
U kunt een macro of een script op verschillende manieren gebruiken. In Tabel 10 kunt u aan de hand van een aantal voorbeelden zien hoe u macro's en scripts kunt instellen en vervolgens gebruiken.
| Functie | Handeling |
|---|---|
| Automatisch macro of script afspelen als sessie start | Stel een Zelfstartende macro/script in |
| Macro of script afspelen terwijl u een hosttoepassing uitvoert | Afspelen macro/script starten |
| Macro of script afspelen met toetsenbord- of macrofunctie | Gebruik Toetsenbord- /macro-/scriptfunctie |
| Klikken op hotspot om macro of script af te spelen | Stel een Hotspot in |
| Macro of script toewijzen aan toets van toetsenblok | Pas Toetsenblok-bestand aan |
| Met muisknop klikken om macro af te spelen | Pas Muis-bestand aan |
| Toets van toetsenbord indrukken om macro of script af te spelen | Pas Toetsenbord-bestand aan |
U kunt een macro maken door zelf de inhoud ervan op te geven, of door een aantal uitgevoerde handelingen bij een hostsysteem, bijvoorbeeld de aanmeldingsprocedure, op te nemen.
Ga als volgt te werk als u zelf een macro wilt maken:
Zie de online Help voor uitgebreide informatie.
Als de macro wordt uitgevoerd, verloopt de codetabelconversie als volgt:
Bij het maken van een macro kunt u de volgende macro-instructies gebruiken:
Het gebruik van GOTO- en LABEL-tokens in een macro om een programmalus te maken kan leiden tot onvoorspelbare resultaten als de lus een groot aantal keren wordt doorlopen (meer dan 1000).
U kunt een script maken door zelf de inhoud ervan op te geven, of door een aantal uitgevoerde handelingen, bijvoorbeeld de aanmeldingsprocedure bij een hostsysteem, op te nemen. Bij scripts kan uitgebreider gebruik worden gemaakt van programmeerinstructies dan bij macro's mogelijk is.
Ga als volgt te werk om een script maken:
Zie de online Help voor uitgebreide informatie.
U kunt als volgt een zelfstartende macro of script configureren:
Het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.
Als u een Java-applet automatisch wilt laten uitvoeren, kunt u aan een macro de functie Applet uitvoeren toevoegen. U kunt deze functie toevoegen voor een zelfstartende macro, zodat de applet kan worden uitgevoerd wanneer de sessie wordt gestart.
Het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.
Zie de online Help voor de syntaxis en gedetailleerde instructies.
Opmerking: De opgegeven appletklasse moet zich in dezelfde directory bevinden als het WS-bestand waarin de macro is opgenomen.
U start de opname van een macro of script als volgt:
Als u een macrobestand wilt opnemen voor Snel aanmelden, selecteert u het aankruisvakje Aan en geeft u het ELF-toepassings-ID (Express Logon Feature) op.
Als u de opname van een macro of script wilt afbreken, kiest u Acties -> Opnemen macro annuleren. De opname wordt geannuleerd en de macro of het script wordt niet opgeslagen.
Als u de opname van een macro of script wilt onderbreken, kiest u Acties -> Opnemen macro onderbreken. De opname van de macro of het script wordt onderbroken. Om weer verder te gaan met de opname, kiest u Opnemen macro hervatten.
Als u de opname van een macro of script wilt beëindigen, kiest u Acties -> Opnemen macro stoppen. De opname wordt beëindigd en de macro wordt opgeslagen in het opgegeven bestand.
Als u een macro of script wilt afspelen, kiest u Acties -> Macro/script afspelen, selecteert u de macro of het script en kiest u OK. De geselecteerde macro wordt afgespeeld.
Als u het afspelen van een macro of script wilt stoppen, kiest u Acties -> Macro/script beëindigen. Het afspelen van de macro of het script wordt beëindigd.
Met de functie Snel aanmelden (ELF, Express Logon Feature) kan een gebruiker van Personal Communications TN3270E zich aanmelden bij een hosttoepassing zonder dat hiervoor het gebruikers-ID en het wachtwoord hoeven te worden verzonden. Deze functie dient alleen in bepaalde omstandigheden te worden gebruikt door beheerders van Personal Communications. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor gedetailleerde informatie over de implementatie.
U neemt als volgt een macro op voor de functie Snel aanmelden:
De toetsaanslagen die zijn opgenomen tijdens de aanmelding, worden opgeslagen in het macrobestand voor Snel aanmelden. Personal Communications zal proberen het door u ingevoerde gebruikers-ID en wachtwoord te herkennen en te vervangen door de speciale plaatshouderparameters )USR.ID( en )PSS.WD(. Deze automatische herkenning werkt alleen als het wachtwoord wordt getypt in het eerste beveiligde invoerveld. Er wordt aangenomen dat het gebruikers-ID direct voorafgaand aan het wachtwoord is ingevoerd.
Als u een typfout hebt gemaakt in de aanmeldingsgegevens, moet u de macro opnieuw opnemen.
Tijdens het latere afspelen van de macro worden het toepassings-ID (opgeslagen in de macro) voor Snel aanmelden en de beveiligde verbinding gebruikt om de aanmeldingsprocedure te herhalen zonder dat er een gebruikers-ID en wachtwoord hoeft te worden opgegeven.
U kunt de macro voor Snel aanmelden ook handmatig configureren. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie.
U kunt een macro voor aanmelding bij een hosttoepassing bekijken om te controleren of het gebruikers-ID en het wachtwoord zijn vervangen door de speciale codes. Dit doet u als volgt:
De tekenreeks "myUserID moet bijvoorbeeld zijn vervangen door ")USR.ID(.
Zo moet de tekenreeks "myPassword zijn vervangen door ")PSS.WD(.
Met de opdracht Muis instellen kunt u functies toewijzen aan de linker- en rechtermuisknop. Hierdoor kunt u de volgende handelingen uitvoeren zonder het toetsenbord te gebruiken:
De functies die aan de muisknoppen zijn toegewezen, kunt u opslaan in een muisbestand (MMP-bestand). U kunt twee of meer muisbestanden maken en deze desgewenst afwisselend gebruiken.
U kunt als volgt de muis instellen en functies toewijzen aan de muisknoppen:
De huidige instellingen worden afgebeeld in het venster Muis instellen.
Ga als volgt te werk als u een muisbestand wilt maken of bewerken:
U bent nu klaar met het instellen van de muis.
Het toetsenblok is een klein venster met een aantal toetsen. U beeldt het toetsenblok af door met de rechtermuisknop op een willekeurige plaats in het sessievenster te klikken.
U kunt de volgende functies aan de toetsen toewijzen:
Als u deze functies wilt uitvoeren, hoeft u enkel met de linkermuisknop op een knop van het toetsenblok te klikken.
Als u een korte beschrijving van een toetsfunctie of een macronaam wilt afbeelden, klikt u met de rechtermuisknop op de naam van de functie of de macro.
U kunt het aantal toetsen van het toetsenblok opgeven, functies aan deze toetsen toewijzen en de kleuren van de knoppen instellen. U kunt ook de opgegeven instellingen voor het toetsenblok opslaan in een toetsenblokbestand.
Een toetsenblokbestand (PMP-bestand) bevat gegevens over het aantal knoppen in het toetsenblok, de functies die aan deze knoppen zijn toegewezen en de kleurinstellingen. U kunt aangeven welk toetsenblokbestand voor het toetsenblok moet worden gebruikt.
Ga als volgt te werk om het toetsenblok te gebruiken:
Als u het toetsenblokbestand wilt bewerken, kiest u Aanpassen en brengt u de wijzigingen aan.
Met de functie Tabs Instellen kunt u de tabstops definiëren voor uw VT-sessies.
Bij de instellingen voor de webbrowser kunt u aangeven welke webbrowser uw voorkeur geniet en deze gebruiken in plaats van de webbrowser die deel uitmaakt van uw besturingssysteem.
Personal Communications biedt verschillende functies voor het werken met meerdere sessievensters, naast de voorzieningen die Windows daarvoor heeft. Dankzij deze functies kunt u snel en gemakkelijk met uw sessievensters werken. Het menu Venster bevat de volgende opties:
U kunt deze optie niet gebruiken om naar een sessievenster te gaan dat verborgen is. In dat geval moet u Sessie afbeelden uit het menu Venster kiezen om het sessievenster op het scherm af te beelden. Kies vervolgens Schakelen.
U kunt niet alle sessies verbergen. Minstens een sessie is altijd zichtbaar.
Kies het menu Beeld om de vensters af te beelden in een rangschikking die eerder is opgeslagen of om de huidige rangschikking op te slaan.
Personal Communications kan de volgende gegevens opslaan met betrekking tot de weergave van een sessievenster:
U kunt de weergavegegevens van maximaal acht vensters opslaan.
Zie de online Help voor meer informatie over het beheer van sessievensters:
Maak een keuze uit de lijst met gedetailleerde informatie.
Personal Communications ondersteunt de codetabellen 1390 en 1399. Hierdoor kunnen ook Japanse tekens worden verwerkt. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over ondersteuning van Unicode.
U kunt de functie Help -> Detecteren en repareren gebruiken om de productintegriteit van Personal Communications te controleren. De functie Detecteren en repareren voert een controle uit op de geïnstalleerde Personal Communications-bestanden om vast te stellen of deze fouten bevatten. Vervolgens wordt zo nodig een reparatie uitgevoerd.
Opmerking: Sluit alle actieve sessies en SNA-knooppunten voordat u de functie Detecteren en repareren start.
Selecteer Snelkoppelingen herstellen tijdens reparatie als u de oorspronkelijke snelkoppelingen wilt terugzetten. Als u snelkoppelingen hebt gewijzigd sinds de oorspronkelijke installatie van Personal Communications, wilt u deze misschien liever intact houden. In dat geval selecteert u deze optie niet.
Voor het gebruik van de functie Detecteren en repareren moet u gemachtigd zijn in het systeembeleid. Het kan zijn dat u om de originele installatiebron van Personal Communications wordt gevraagd.
Personal Communications Detecteren en repareren kan zowel vanuit het venster Sessiebeheer worden gestart als vanuit een sessievenster. Reparatie van Personal Communications met behulp van Windows Installer kunt u starten via het onderdeel Software in het Configuratiescherm van Windows. Let op de hieronder beschreven verschillen in de mogelijke bewerkingen.
Met de optie Detecteren en repareren vanuit een Personal Communications-venster voert u de volgende bewerkingen uit:
Windows Installer voert de volgende bewerkingen uit: