Emulatorsessies gebruiken

In dit hoofdstuk vindt u informatie over het gebruik van de functies voor afdrukken, bewerken en gegevensoverdracht in emulatorsessies. Verder worden een aantal mogelijkheden beschreven van de menuopties Acties, Beeld en Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie van de emulatorsessie.

Toegankelijkheid

Personal Communications kan worden gebruikt in combinatie met ondersteunende technologie ("assistive technology"), zoals bijvoorbeeld schermleesprogramma's, voor gebruikers met een fysieke handicap. Hieronder worden enkele uitbreidingen beschreven die betrekking hebben op de toegankelijkheid van het pakket voor deze gebruikers.

Geluid

Personal Communications bevat ondersteuning voor de opties Geluidsbeschrijving en Geluidswaarschuwing die beschikbaar zijn via de Windows-functies Configuratievenster -> Toegankelijkheidsopties-> Geluid. Als u de optie Geluidsbeschrijving gebruiken selecteert, wordt op de statusbalk een tekst afgebeeld met een beschrijving van reden waarom een geluidssignaal is gegenereerd.

U kunt het genereren van geluidssignalen door Personal Communications uitschakelen via de optie Geluid in het venster Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen -> Geluid.

Ondersteuning voor schermleesprogrammatuur

Gebruikers kunnen een wisseltoets definiëren waarmee Personal Communications spaties en nulltekens in een invoerveld afwisselend door een ander teken kan vervangen en weer kan terugzetten. Deze optie biedt schermleesprogramma's de mogelijkheid om de lengte van het veld aan te geven voor gebruikers met een visuele handicap. Dit heeft geen invloed op de gegevens die naar de host worden verzonden of daarvan worden ontvangen -- slechts de beeldschermweergave en de omzetting van beeld naar gesproken woord door het schermleesprogramma worden beïnvloed. Standaard staat deze functie niet ingeschakeld.

Voor 3270- en VT-emulators is het standaard opvulteken een spatie. Voor 5250-emulators is het standaard vervangingsteken een liggend streepje. Desgewenst kunt u een ander teken kiezen.

Tijdens de emulatiesessie kunt u het schermleesprogramma op elk moment aan- of uitzetten. Om de wisselfunctie voor het schermleesprogramma toe te wijzen aan een toets selecteert u Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord. Klik op Aanpassen om het dialoogvenster Toetsenbord instellen te openen. Zie de online Help voor een overzicht van de beschikbare toetsenbordfuncties.

Uitgebreide OIA

Voor een toegankelijke versie van het OIA-informatiegebied (de onderste regel van het sessievenster) kunt u het uitgebreide OIA-venster afbeelden. Klik op Beeld -> Uitgebreide OIA vanaf de menubalk. U kunt ook de optie Uitgebreide OIA afbeelden selecteren uit het systeemmenu van de sessie. U kunt het aantal regels dat in het uitgebreide OIA-venster wordt afgebeeld, wijzigen via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Venster instellen.

Om het uitgebreide OIA-venster te activeren zodat een schermleesprogramma de informatie erin kan interpreteren, moet u een toets toewijzen aan de functie OIA: Uitgebreide OIA aan/uit. Met deze toets kunt u dan afwisselend het sessievenster en het uitgebreide OIA-venster activeren. Wanneer u het uitgebreide OIA-venster met een toets activeert, wordt de actieve cursorpositie altijd de eerste regel van het OIA-informatiegebied. Op het moment dat u het sessievenster weer activeert, moet de cursor terugkeren naar de positie waarop deze zich bevond toe u het uitgebreide OIA-venster activeerde. Raadpleeg de online Help vanuit de dialoog Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord -> Aanpassen voor meer informatie over de toewijzing van toetsen.

Toetsenblok

Hoewel de meeste gebruikers de pop-up toetsenblokken zullen gebruiken in combinatie met een muis, kunt u deze toetsenblokken zo instellen dat ze ook te gebruiken zijn met alleen het toetsenbord. Om een toetsenblok zonder muis af te beelden (en te gebruiken) moet u enkele toetsen toewijzen via de dialoog Bewerken -> Voorkeuren -> Toetsenbord -> Aanpassen.

Met de de functie Toetsenblok afbeelden activeert u het laatst gebruikte toetsenblok opnieuw. De functies Toetsenblok 1 afbeelden, Toetsenblok 2 afbeelden, Toetsenblok 3 afbeelden en Toetsenblok 4 afbeelden zijn bedoeld voor het afbeelden en activeren van een specifiek pop-up toetsenblok. Door het indrukken van de spatiebalk of de Enter-toets voert u de functie uit die is toegewezen aan de huidige actieve toets van het afgebeelde toetsenblok.

Als u werkt met een "plakkend" toetsenblok, blijft het toetsenblok actief totdat u het expliciet sluit. Standaard verdwijnt een toetsenblok wanneer u een van de daarop beschikbare knoppen kiest. Om vanuit het sessievenster zonder een muis een plakkend toetsenblok te activeren moet u de functie Toetsenblok activeren toewijzen aan een toets. Omdat u de toetscombinatie Ctrl-Tab moet gebruiken om vanuit een plakkend toetsenblok het terug te gaan naar de sessie, is het niet raadzaam om de functie Toetsenblok activeren aan deze toetscombinatie toe te wijzen.

Energiebeheer

Personal Communications voldoet aan de vereisten van de functie voor energiebeheer van Windows 2000 voor de verwerking van energiebesparingsevents (standby en slaapstand). Dit verkleint de kans op verbreking van de verbinding tijdens een sessie als gevolg van een energiebesparingsevent onder Windows 2000 en daarvan afgeleide versies.

Verbonden
Wanneer voor Personal Communications een verbinding actief is en Windows 2000 aangeeft dat invoer van de gebruiker mogelijk is, wordt de gebruiker gevraagd of de energiebesparingsstand mag worden geactiveerd.

In het hulpprogramma Beheer gebruikersvoorkeuren kunt u instellen dat het systeem zonder om bevestiging te vragen mag overschakelen op standby of naar de slaapstand. Standaard wordt u, als er een of meer sessies met een actieve verbinding zijn, eerst gevraagd of het systeem kan overschakelen op standby of naar de slaapstand. Als er geen sessies met actieve verbindingen zijn, laat Personal Communications het systeem zonder waarschuwing overschakelen naar de gevraagde energiebesparingsstand. Zie Standby/slaapstand.

Niet-verbonden
Wanneer er geen actieve Personal Communications-verbinding aanwezig is, kan Windows 2000 de energiebesparingsstand automatisch activeren zonder dat de gebruiker om toestemming wordt gevraagd.
Cruciale energiebesparingsevent
Wanneer Windows opnieuw actief wordt na een ernstige storing, kan door Personal Communications een waarschuwing worden afgebeeld en in het logboek worden opgenomen.

Raadpleeg Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over energiebeheer.

Bijbehorende printersessies

Als u een 3270- of 5250-beeldstationsessie configureert, kunt u in Personal Communications een bijbehorende printersessie opgeven. Deze functie is geïmplementeerd in Communications Server, iSeries, eServer i5- en System i5 TN5250- en zSeries TN3270E-servers. Dit is een unieke Telnet-functie die niet beschikbaar is in SNA-omgevingen.

De voordelen hiervan zijn:

Als u een sessie configureert en u wilt dat op de server een bijbehorende printersessie wordt gedefinieerd, gaat u als volgt te werk:

  1. Ga naar de pagina Bijbehorende printer.
  2. Selecteer Bijbehorende printersessie.
  3. Geef het WS-bestand op voor de printer die aan de sessie moet worden gekoppeld. U kunt ook Zoeken kiezen om het bestand op te sporen.

U kunt ook de volgende opties instellen:

Opmerkingen:
  1. Als u een Telnet-sessie stopt, wordt de bijbehorende printersessie automatisch beëindigd wanneer deze optie is geselecteerd bij de sessieconfiguratie.
  2. Als een 5250-printersessie is gekoppeld aan meerdere 5250-beeldstationsessies, wordt de printersessie pas beëindigd wanneer de laatste bijbehorende beeldstationsessie wordt afgesloten.
  3. Als voor een 5250-sessie de hostnaam in het geselecteerde printersessieprofiel niet gelijk is aan de waarde in het beeldstationsessieprofiel, wordt de hostnaam uit het beeldstationsessieprofiel gebruikt. De waarden van de beeldstationsessie worden niet opgeslagen in het printersessieprofiel.

Printersessies configureren (3270 en 5250)

Via het venster Printersessie configureren kunt u de opties voor een 3270- of 5250-printersessie instellen. U opent dit venster via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Printersessie configureren. U kunt ook een pictogram voor het venster Printersessie configureren toevoegen aan de werkbalk van de sessie.

De volgende aanpassingsopties zijn beschikbaar:

Tekstgegevens afbeelden
U kunt opgeven dat de naam en andere informatie moet worden afgebeeld in het printersessievenster. Als u deze optie niet selecteert, worden geen tekstgegevens over de sessie afgebeeld.
Configuratiegegevens

U kunt de volgende items toevoegen aan de tekstgegevens:

Verbindingsgegevens
De onderstaande weergaveopties hebben betrekking op de sessiestatus en de instellingen van de dialoogopties Sessieparameters -> Uitgebreid en Communicatie aanpassen.
Verbindingsstatus Als deze optie is geselecteerd, wordt Verbonden afgebeeld als de sessie een actieve verbinding heeft. Verbinding verbroken wordt afgebeeld wanneer er geen verbinding beschikbaar is.
Hostnaam De hostnaam of het IP-adres voor de verbinding.
Hosttype Het type hostsysteem waarmee de sessie is verbonden.
Interface Het in het venster Communicatie aanpassen geselecteerde interfacetype.
Aansluiting De voor de sessie geselecteerde fysieke en logische verbinding.
WS-profiel Als de sessie is gestart vanaf een opgeslagen werkstationprofiel (WS-bestand), wordt de naam van het profiel afgebeeld. Dit veld is blanco voor een nieuw geconfigureerde sessie.
Hostcodetabel De in het venster voor de configuratie van de hostsessieparameters geselecteerde codetabel.
Gegevens van hostapparaat

De onderstaande weergaveopties hebben betrekking op het geselecteerde apparaat en de instellingen van de dialoogopties Sessieparameters - 5250-host > Uitgebreid. Deze opties zijn alleen beschikbaar voor 5250-sessies.

Apparaatstatus Als deze optie is geselecteerd, wordt Gestart afgebeeld als het apparaat de status Gereed heeft. Wanneer dit niet het geval is, wordt Gestopt afgebeeld.
Werkstation-ID De apparaatnaam voor de sessie.
Berichtenwachtrij/ bibliotheek De Berichtenwachtrij en Berichtenbibliotheek zoals opgegeven in het venster Sessieparameters -> Uitgebreid.
Lettertype host Het hostlettertype zoals geselecteerd in het venster Sessieparameters -> Uitgebreid.
HPT Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE afgebeeld als Afdrukconversie in host is ingeschakeld. FALSE wordt afgebeeld als HPT niet is ingeschakeld.
HPT-printermodel Als deze optie is geselecteerd, wordt het Printermodel afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
HPT-lade 1 Als deze optie is geselecteerd, wordt HPT-lade 1 afgebeeld als papierformaat. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
HPT-lade 2 Als deze optie is geselecteerd, wordt HPT-lade 2 afgebeeld als papierformaat. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
Enveloppen- invoermagazijn Als deze optie is geselecteerd, wordt het Enveloppeninvoermagazijn afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
Aanpassings- object/bibliotheek Als deze optie is geselecteerd, worden Aanpassingsobject en Aanpassingsbibliotheek afgebeeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
ASCII-codetabel 899 Als deze optie is geselecteerd, wordt TRUE of FALSE, afhankelijk van of ASCII-codetabel 899 al dan niet is ingeschakeld. Als HPT niet is ingeschakeld, wordt Niet geconfigureerd afgebeeld.
Printergegevens
De onderstaande weergaveopties hebben betrekking op de instellingen van het venster Printerinstellingen.
Printer De naam van de voor de sessie geselecteerde printer.
PDT-bestand Het voor afdrukken gebruikte printerdefinitiebestand.
Schrijfrichting hostbestand

(Bidirectionele 3270-sessies)

Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als voor het hostbestand de schrijfrichting van rechts naar links is.
Haakjes spiegelen

(Arabische 3270-sessies)

Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als de optie Haakjes spiegelen is ingeschakeld.
Getallen spiegelen

(Arabische 3270-sessies)

Als deze optie is geselecteerd, wordt in het sessievenster TRUE afgebeeld als de optie Getallen spiegelen is ingeschakeld.
Achtergrond afbeelden
U kunt een bitmapbestand opgeven als achtergrond voor het sessievenster. U kunt de standaardafbeelding gebruiken of een andere bitmapbestand dat monochroom is, 16 of 256 kleuren bevat, of 24-bits kleuren bevat.
Weergave afdrukstatus -> Dialoogvenster afbeelden
Hiermee beeldt u naast het sessievenster een apart venster voor de afdrukstatus af. Deze optie is alleen beschikbaar voor 5250-sessies.
Weergave afdrukstatus -> In sessievenster opnemen
Hiermee beeldt u een venster voor de afdrukstatus af dat gekoppeld is aan het sessievenster. Wanneer u het sessievenster verplaatst minimaliseert, wordt het printerstatusvenster mee verplaatst. Deze optie is alleen beschikbaar voor 5250-sessies.

Afdrukken

Met Personal Communications kunt u vanuit beeldstationsessies of printersessies afdrukgegevens naar een printer sturen:

U kunt op de volgende manieren afdrukken:

Raadpleeg voor meer informatie over het gebruik van printers de handleiding Emulator User's Reference.

Functies voor verzamelde schermafdrukken

Met behulp van de functie Scherm toevoegen kunt u de gehele scherminhoud of een deel ervan toevoegen aan een verzameling vastgelegde schermafdrukken. Vervolgens kunt u de verzamelde schermafdrukken in een keer naar de printer sturen via de optie Verzameling afdrukken.

Om de huidige scherminhoud geheel of gedeeltelijk toe te voegen aan de huidige verzameling, kiest u Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Scherm toevoegen. Om alle verzamelde schermen naar de printer te sturen kiest u Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling afdrukken.

U kunt alle verzamelde schermafdrukken verwijderen zonder ze af te drukken via de menuopties Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling wissen. U kunt geen afzonderlijke schermen uit de verzameling verwijderen.

Met de optie Bestand -> Verzamelde schermafdrukken -> Verzameling afdrukken bij afsluiten zorgt u ervoor dat de verzamelde schermafdrukken naar de printer worden gestuurd op het moment dat u de sessie afsluit of de verbinding verbreekt. Deze optie is standaard ingeschakeld. Als u de sessie wilt beëindigen zonder dat de verzamelde schermen worden afgedrukt, moet u de selectie van de optie Verzameling afdrukken bij afsluiten ongedaan maken. Wanneer u daarna de sessie afsluit of de verbinding verbreekt, worden de verzamelde schermen gewist.

Opmerking:
De functie voor de verzameling van schermafdrukken werkt onafhankelijk van de normale functie Schermafdruk maken. U kunt de functie Schermafdruk maken nog steeds gebruiken om de inhoud van afzonderlijk schermen af te drukken terwijl u meerdere schermen verzamelt.

U kunt de functies Scherm toevoegen en Verzameling afdrukken toevoegen aan de werkbalk, aan een pop-up toetsenblok of aan een toetsenborddefinitie. Net als voor de normale functie voor schermafdrukken worden de instellingen gebruikt van het venster Pagina-instelling.

In de werkstand PDT is een optie beschikbaar voor het afdrukken van meerdere schermen op één pagina. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie.

Afdruktaken verzamelen (5250-printersessie)

U kunt 5250-afdruktaken verzamelen en deze als één taak of in een groep afdrukken. De verzamelde afdruktaken worden opgeslagen in een .SCS-bestand.

U kunt de volgende sleutelwoorden in het .WS-profiel instellen om het pad en de bestandsnaam voor het .SCS-bestand op te geven:

[Printers]
SCSFile=<bestandsnaam>.scs
SCSPath=<lokaal pad>

De functies die horen bij deze functie worden hieronder vermeld. De functies kunnen worden toegewezen aan het toetsenbord, het toetsenblok, de muisknop of een werkbalkknop.

Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het toewijzen van de functies.

Met het profielsleutelwoord CombineJobs kunt u de taken verzamelen voor afdrukken, terwijl u ze als afzonderlijke taken behoudt (in plaats van één taak in het .SCS-bestand). Geef het .WS-sleutelwoord als volgt op:

[Printers]
CombineJobs=N

Als u CombineJobs instelt op N, stuurt de functie Verzameling afdrukken de afzonderlijke, verzamelde taken naar de printer. Zolang de Verzamelwerkstand actief is en het sleutelwoord is ingesteld op Y of niet is opgegeven, worden de afdruktaken gecombineerd tot één taak in het .SCS-bestand.

Met het Windows-printerstuurprogramma

U stelt uw printer als volgt in voor gebruik van een printerstuurprogramma van Windows:

  1. Kies Bestand -> Printerinstelling in het sessievenster.

    In het venster Printerinstelling worden de ondersteunde printers afgebeeld.

  2. Selecteer het printerstuurprogramma dat u wilt gebruiken in de keuzelijst Printer. U hebt ook de mogelijkheid om de standaard Windows-printer te selecteren.
    Opmerkingen:
    1. De standaardprinter wordt afgebeeld wanneer in het WS-bestand printer=DEFAULT gedefinieerd is in de sectie [printers].
    2. Als deze optie is geselecteerd, wordt er geen bericht afgebeeld voordat de taak wordt afgedrukt.
    3. Als er een printer is geselecteerd voor een sessie, wordt de naam van die printer afgebeeld in de statusbalk van het sessievenster.
  3. Selecteer desgewenst het aankruisvakje Dit venster bij elke afdruk afbeelden.
  4. Zorg ervoor dat het aankruisvakje PDT gebruiken niet is geselecteerd en kies vervolgens OK.

    Personal Communications gebruikt nu het door u geselecteerde printerstuurprogramma en het venster Printerinstelling wordt gesloten.

PDT-bestanden (Printer Definitie Tabellen) gebruiken

Met PDT-bestanden definieert u de overdracht van tekens en stuurcodes naar een printer en de indeling van de printeruitvoer. Als u een PDT-bestand gebruikt, wordt het printerstuurprogramma van Windows niet gebruikt en genereert Personal Communications de printeruitvoer op basis van de gegevens voor de printerbesturing die in het PDT-bestand zijn gedefinieerd.

Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over PDT-bestanden.

U gebruikt PDT-bestanden als volgt:

  1. Kies Bestand -> Printerinstelling in het sessievenster.

    Het venster Printerinstelling wordt afgebeeld.

  2. Selecteer de poort die u wilt gebruiken in de keuzelijst Printer.

    Afhankelijk van welke poort u hier selecteert, zijn bepaalde PDT-bestanden al dan niet bruikbaar.

  3. Kies Instellen en geef vervolgens de papiergrootte voor het geselecteerde printerstuurprogramma op.
  4. Selecteer het aankruisvakje PDT gebruiken en vervolgens PDT kiezen.

    Het venster PDT-bestand Kiezen wordt afgebeeld.

  5. Als u een bestaand PDT-bestand wilt gebruiken, selecteert u het gewenste PDT-bestand en kiest u vervolgens OK.

Afdrukconversie op host (voor 5250-emulatiesessies)

Als u een 5250-printersessie configureert, kunt u de werkstand voor afdrukconversie door de host selecteren. Als u de functie Afdrukconversie op host wilt gebruiken, voert u de volgende stappen uit:

  1. In het configuratievenster Sessieparameters kiest u Uitgebreid.
  2. Selecteer Ja voor de optie Afdrukconversie op host. Vervolgens kunt u de volgende parameters opgeven:

Afdrukconversie van afbeeldingen

In Personal Communications kunt u gebruikmaken van de functie Afdrukconversie van afbeeldingen voor het afdrukken van afbeeldingen in 5250-printersessies, indien u afdrukconversie door de host gebruikt. Raadpleeg de meest recente documentatie over het maken van afdrukken op IBM iSeries-, eServer i5- of System i5-systemen voor meer informatie.

Pagina-indeling

Met Personal Communications kunt u parameters instellen voor de pagina-indeling, zoals het maximumaantal regels per pagina, het maximumaantal kolommen en de lettertypen. U kunt ook een kop- of voettekst toevoegen aan een pagina.

Raadpleeg Emulator User's Reference voor gedetailleerde informatie en instructies over de pagina-instelling.

Ondersteuning schaalbaar (TrueType) APL-lettertype voor printers

Omdat er geen speciale APL-tekens voor printers bestaan, worden bij het afdrukken van APL-tekens de APL-lettertypen voor beeldschermen gebruikt. In sommige gevallen worden APL-tekens nogal klein afgedrukt. Als u grotere APL-tekens wilt afdrukken, moet u het Personal Communications-lettertype AICAPL installeren via het Windows-venster Configuratiescherm -> Lettertypen.

ZipPrint (3270-emulatie)

Met ZipPrint kunt u memo's en agenda's van PROFS of OfficeVision, OfficeVision-documenten, CMS-bestanden, XEDIT-werkruimten en 3270-sessieschermen afdrukken.

Het gebruik van ZipPrint voorbereiden

Voordat u ZipPrint kunt gebruiken, moet DDE/EHLLAPI worden ingeschakeld voor de sessie. U doet dit door Bewerken -> Voorkeuren -> API-instellingen te kiezen en in de online Help de gedetailleerde instructies daarvoor te volgen. Standaard is DDE/EHLLAPI ingeschakeld.

Opmerking:
Standaard zijn de PROFS-georiënteerde functies van ZipPrint PROFS-functies voor de Engelse taal. U kunt ZipPrint aanpassen voor andere talen. Start ZipPrint voordat u de beeldstationsessies start.

ZipPrint starten

U start ZipPrint voordat u beeldstationsessies start. Het menu van ZipPrint wordt toegevoegd aan de menubalk van het opgegeven sessievenster. U kunt het menu gebruiken vanaf de menubalk, op dezelfde manier als de andere functies.

U start ZipPrint door op het pictogram ZipPrint te klikken in de programmamap van Personal Communications. Op deze manier start u ZipPrint alleen voor Sessie A.

U kunt ZipPrint ook starten door deze functie als eerste opdracht op te nemen in een batchbestand van Personal Communications.

Meer informatie over ZipPrint en het gebruik van ZipPrint voor extra emulatorsessies vindt u bij het onderwerp ZipPrint in de Help.

ZipPrint gebruiken

Houd bij het gebruik van ZipPrint rekening met de volgende punten:

ZipPrint gebruikt de functie voor bestandsoverdracht van Personal Communications voor het afdrukken van VM/CMS-memo's en -bestanden. Op trage communicatielijnen, zoals SDLC-, Async (IIN)- of Home3270-verbindingen, of bij gebruik van een grote pakket- of blokgrootte kan er een time-out optreden bij de bestandsoverdracht. In dit geval moet u de waarde voor de time-out als volgt verhogen:

  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> Overdracht in het sessievenster.
  2. Verhoog de timeoutwaarde tot 150 seconden of meer.

Als u ODPS gebruikt (PROFS voor Japans of een andere DBCS PROFS), gebruikt ZipPrint het lettertype Hankaku (SBCS). Als u een ZENKAKU-lettertype gebruikt, zoals KANJI of HIRAGANA, moet u de instellingen voor het lettertype als volgt wijzigen:

  1. Kies Configure ZipPrint uit het menu van ZipPrint in uw sessievenster.
  2. Kies Font.
  3. Selecteer een ZENKAKU-lettertype zoals MINCHO of GOTHIC en kies vervolgens OK.

Bidirectionele sessies

Voor Hebreeuwse en Arabische sessies ondersteunt Personal Communications de volgende ZipPrint-functies:

Voor bidirectionele sessies bepalen de specifiek bidirectionele parameters voor bestandsoverdracht de functionaliteit van ZipPrint.

Om de omkering van numerieke tekens die worden voorafgegaan door bidirectionele tekens uit te schakelen, kunt u het lettertype Typing Arabic gebruiken voor Arabische ZipPrint-sessies en het lettertype Cumberland Hebrew voor Hebreeuwse sessies.

Opmerking: Om voor ZipPrint het lettertype Typing Arabic te kunnen gebruiken, moet u bij de instellingen voor bestandsoverdracht codetabel 1008 opgeven.

IBM 5586-H02 Printer (Japan)

U kunt het beste IBM5585.PDT gebruiken voor het afdrukken in de werkstand PDT op de IBM 5586-H02-printer.

Bewerken

U kunt de inhoud van een sessievenster wijzigen met behulp van het klembord van Windows en het menu Bewerken.

Opmerking:
Als u de opties Kopiëren of Knippen gebruikt, plaatst Personal Communications de gehele inhoud van het sessievenster op het klembord. Als u alleen gemarkeerde gedeelten uit het sessievenster wilt kopiëren of knippen, moet u de opties voor Knippen/Kopiëren bijwerken. U kunt de opties voor Knippen/Kopiëren als volgt bijwerken:
  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> Bewerken.
  2. In het venster Opties voor Bewerken kiest u de tab Knippen/Kopiëren.
  3. Op het tabblad Knippen/Kopiëren selecteert u het aankruisvakje Alleen als beelduitsnede gemarkeerd is.
  4. Sluit het venster Opties voor Bewerken.
Ongedaan maken
Met deze optie annuleert u de laatste bewerking van een optie uit het menu Bewerken, met uitzondering van Koppeling kopiëren, en herstelt u de inhoud van het sessievenster en het klembord.
Knippen
Met deze optie kopieert u het gemarkeerde gebied naar het klembord en verwijdert u dit gebied van het scherm van het sessievenster.
Kopiëren
Met deze optie kopieert of dupliceert u het gemarkeerde gebied naar het klembord zonder dit van het scherm van het sessievenster te verwijderen.
Kopiëren/toevoegen
Met deze optie kopieert u het gemarkeerde gebied naar het klembord zonder dit van het scherm van het sessievenster te verwijderen. Als er al gegevens op het klembord staan, worden de nieuwe gegevens daaraan toegevoegd.
Plakken
Met deze optie plaatst u de huidige inhoud van het klembord in het sessievenster. De bestaande inhoud van het sessievenster wordt hierbij vanaf de huidige cursorpositie overschreven.
Volgende plakken
Indien niet alle gegevens zijn geplakt, wordt Volgende plakken actief en kunnen de overige gegevens in het klembord worden geplakt.
Wissen
Met deze optie verwijdert u het gemarkeerde gebied uit het sessievenster. De inhoud van het klembord wordt niet gewijzigd.
Koppeling kopiëren
Deze optie ondersteunt de DDE-functie Koppeling kopiëren. Als u een koppeling tussen Personal Communications en een ander toepassingsprogramma wilt maken, markeert u een gedeelte van het sessievenster, kiest u Koppeling kopiëren en vervolgens Koppeling plakken in het andere toepassingsprogramma.
Opmerking:
De opdracht waarmee u koppelingen kunt plakken, hangt af van het toepassingsprogramma dat u gebruikt.
Markering wissen
Met deze optie verwijdert u de geknipte (of gemarkeerde) rechthoek. Het sessievenster en de inhoud van het klembord worden niet gewijzigd.
Alles selecteren
Met deze optie selecteert u het gehele sessievenster.

Opties voor bewerken

Opties voor plakken

U kunt bepalen hoe tekst om beschermde velden heen wordt geplakt, en hoe tekst waarin tabs voorkomen, na het plakken wordt afgebeeld. De onderstaande Plakfuncties zijn beschikbaar.

Gegevens beschermen
Kies Gegevens beschermen als u wilt dat gegevens die bij de plakbewerking op de plaats van een beschermd veld terecht zouden komen, in een volgend, onbeschermd veld moeten worden geplakt. Als u deze optie niet inschakelt, gaan de gegevens die over een onbeschermd veld vallen, verloren.
Regeldoorloop
Selecteer dit vakje om gekopieerde tekst over meerdere regels te plakken.
Woorden niet splitsen
Selecteer dit vakje om te voorkomen dat woorden worden gesplitst over velden en regels. De tekst die in velden wordt geplakt, wordt gesplitst op de woordgrenzen. Hierdoor wordt de tekst afgebroken en het nieuwe woord begonnen in het volgende veld. Als er niet genoeg ruimte is om het volledige woord in een veld te plakken, wordt zoveel mogelijk van het woord opgenomen in het veld. De rest van het woord gaat naar het volgende veld.
Opmerking:
Als de optie Gegevens beschermen en Regeldoorloop geen van beide geselecteerd zijn, is de optie voor het splitsen van woorden niet beschikbaar.
Plakken naar gemarkeerd gebied
Selecteer dit vakje om het plakken te beperken tot een gemarkeerd gebied, indien er een dergelijk gebied is gedefinieerd. Als er geen gebied is gemarkeerd, wordt de tekst op de huidige cursorpositie geplakt.
Plakken stoppen bij beschermde regel
Selecteer dit vakje om het plakken van de tekst te stoppen bij een beschermde regel op het emulatorscherm. Als u dit vakje niet selecteert, wordt de plakbewerking voortgezet.
Verwerking tabtekens
Naar volgende tabstop
U kunt ervoor kiezen om tekst die tabs bevat, uit te lijnen aan opgegeven tabstops. Als u bijvoorbeeld Naar volgende tabstop selecteert en 4 kolommen opgeeft, wordt de getabuleerde tekst naar de eerstvolgende kolompositie verschoven die een veelvoud is van 4.
Vervangen door n spaties
U kunt ervoor kiezen tabstops te vervangen door spaties. Als u bijvoorbeeld Vervangen door - 3 spatie(s) kiest, wordt elk tabteken in de oorspronkelijke tekst vervangen door 3 spaties.

Standaard wordt elk tabteken vervangen door 1 spatie.

Gegevens naar velden plakken
U kunt tekst waarin tabs zijn gebruikt, in opvolgende niet-beschermde velden plaatsen. Als deze optie is geselecteerd, wordt de tekst die volgt na een tabteken, in het eerstvolgende niet-beschermde veld van de emulatorsessie geplakt.
Opmerking:
Deze optie is alleen beschikbaar voor 5250-sessies.

Opties voor Knippen/Kopiëren

U kunt de grootte van het te kopiëren gedeelte bepalen met behulp van numerieke velden met tekenbit (alleen 5250).

Alleen als beelduitsnede gemarkeerd is
Selecteer dit vakje als u alleen de beelduitsnede wilt kopiëren die in het sessievenster is gemarkeerd. Standaard wordt het gehele venster gekopieerd als er geen beelduitsnede is gemarkeerd.
Voorafgaande +/- forceren
Het gebruik van deze optie voor een numeriek veld met tekenbit zorgt ervoor dat het teken + of - aan het begin van het veld wordt geplaatst en niet aan het einde.
Opmerking:
Deze optie is alleen beschikbaar voor 5250-sessies.

Opties voor Bijsnijden

U kunt de beelduitsnede zelf instellen.

Formaatblokjes voor beelduitsnede
Selecteer dit vakje om formaatblokjes toe te voegen aan de beelduitsnede, waardoor u het formaat kunt aanpassen.
Beelduitsnede handhaven na bewerking
Deze optie zorgt ervoor dat de beelduitsnede actief blijft nadat het bijsnijden voltooid is.
Beelduitsnede uitbreiden bij slepen
Met deze optie wijzigt u het formaat van de beelduitsnede stapsgewijs met hele tekenposities.
Ononderbroken beelduitsnede
Met deze optie wijzigt u de manier waarop de beelduitsnede wordt afgebeeld. In plaats van het standaardkader wordt de beelduitsnede als een egaal blok afgebeeld.

Bewerken via koppelingen met toepassingsprogramma's voor Windows

Als u koppelingen maakt met toepassingsprogramma's voor Windows die de functie Koppeling plakken ondersteunen, kunt u gegevens uit sessievensters in vensters van die programma's plakken. U kunt de optie Koppeling plakken kiezen als u DDE/EHLLAPI kunt gebruiken.

DDE/EHLLAPI-instellingen bevestigen

Als u wilt controleren of DDE/EHLLAPI kan worden gebruikt, voert u de volgende stappen uit:

  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> API-instellingen.
  2. Controleer of het aankruisvakje DDE/EHLLAPI is geselecteerd.

    Als het aankruisvakje is geselecteerd, kunt u DDE/EHLLAPI gebruiken. Ga verder met stap 4.

  3. Als het aankruisvakje niet is geselecteerd, gaat u als volgt te werk:
    1. Selecteer het aankruisvakje DDE/EHLLAPI en kies vervolgens OK.
    2. Beëindig uw sessie en start deze opnieuw, zodat de nieuwe instellingen worden geactiveerd.
  4. Kies OK als de DDE/EHLLAPI al de juiste instelling heeft.

Koppelingen kopiëren en plakken

  1. Markeer het gebied in het sessievenster waarin u de bewerking Koppeling kopiëren wilt uitvoeren.
  2. Kies Koppeling kopiëren uit het menu Bewerken.

    Als het sessievenster al is gekoppeld aan een toepassingsprogramma, wordt Koppeling kopiëren grijs afgebeeld en kan dan niet worden gekozen. Als dit het geval is, moet u de koppeling verbreken of het toepassingsprogramma afsluiten. Hierna kunt u Koppeling kopiëren weer kiezen.

  3. Start het Windows-toepassingsprogramma met het venster waarnaar een onderdeel moet worden gekopieerd.
  4. Geef aan op welke positie u de bewerking Koppeling plakken wilt uitvoeren.
  5. Voer de bewerking Koppeling plakken of Plakken speciaal uit met behulp van het daarvoor bestemde menu in het toepassingsprogramma.

    De inhoud van het gemarkeerde gebied wordt op de aangegeven plaats in het venster van het toepassingsprogramma geplakt.

    De bewerking Koppeling kopiëren is nu voltooid.

Als de inhoud van het gemarkeerde gebied in het sessievenster tijdens de koppeling wordt gewijzigd, wordt ook de inhoud van het hieraan gekoppelde gebied in het venster van het toepassingsprogramma gewijzigd.

Raadpleeg de online Help voor meer informatie over de functies Koppeling kopiëren en Koppeling plakken.

Tabelgegevens kopiëren naar een spreadsheet

Met de opties Knippen, Kopiëren, Koppeling kopiëren of Kopiëren/toevoegen uit het menu Bewerken kunt u gegevens uit het sessievenster kopiëren naar het venster van een spreadsheettoepassing voor Windows.

Om de kopieerbewerking uit te voeren, gebruikt u de optie Plakken of Koppeling plakken in het venster van het toepassingsprogramma waar u de gegevens naartoe wilt kopiëren.

Bij het kopiëren van de gegevens uit het gemarkeerde gebied kunnen drie gegevensindelingen worden gebruikt, die door verschillende spreadsheetprogramma's worden ondersteund:

Sylk-indeling
Een universele gegevensindeling voor spreadsheets zoals Multiplan
Biff3-indeling
De gegevensindeling voor Microsoft Excel
Wk3-indeling
De gegevensindeling voor Lotus 1-2-3
Opmerking:
Of ook latere versies van programma's als Excel of Lotus 1-2-3 deze gegevensindelingen ondersteunen, is afhankelijk van de afzonderlijke programmaspecificaties.

Afzonderlijke gegevens in de tabellen van het sessievenster worden automatisch gesplitst en geschikt gemaakt voor spreadsheets. De gegevens worden gekopieerd naar afzonderlijke cellen in de tabellen van het toepassingsprogramma.

Gemarkeerde gegevens kopiëren zonder deze over cellen te verdelen

Als u de gegevens per regel in het gemarkeerde gebied wilt plakken, dus zonder deze over afzonderlijke cellen te verdelen, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:

[Edit]
Sylk=N       (Om Sylk-gegevens niet over cellen te verdelen)
Biff3=N      (Om Biff3-gegevens niet over cellen te verdelen)
Wk3=N        (Om Wk3-gegevens niet over cellen te verdelen)

Regels met uitsluitend speciale tekens kopiëren

Speciale tekens zoals +, -, = of | die zich bevinden in het gemarkeerde gebied, worden beschouwd als lijnen van een tabel. Deze worden verwijderd en alleen de numerieke gegevens worden gekopieerd.

Tabel 8. Tabelgegevens in gemarkeerd gebied
1 2 3 4
1990 60 -63 71 +58
1991 +69 69 90 80
1992 71 +80 80 -30
Tabel 9. Naar spreadsheet gekopieerde gegevens
1 2 3 4
1990 60 -63 71 58
1991 69 69 90 80
1992 71 80 80 -30

Als u deze speciale tekens wilt kopiëren zonder ze te vervangen door nulltekens, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:

[Edit]
MaskGridCharacter=N

Gegevens in cellen kopiëren als tekst

De gegevens in het gemarkeerde gebied worden standaard beschouwd als numerieke gegevens. Daarom worden valutasymbolen (zoals $) en leestekens (zoals komma's) verwijderd voordat de kopieerbewerking wordt uitgevoerd. Als u gegevens waarin dit soort tekens voorkomen niet als numerieke gegevens wilt kopiëren maar als tekst, voegt u de volgende regels toe aan het werkstationprofiel:

[Edit]
ConvertToNumeric=N

Als u dit hebt gedaan, worden de gegevens in gemarkeerde gebieden waarin dit soort tekens voorkomen, gekopieerd als tekst. Numerieke gegevens zonder speciale tekens worden zo echter ook gekopieerd als tekst.

Beperkingen voor Home3270-aansluitingen

Als u een Home3270-aansluiting gebruikt, gelden er beperkingen voor de volgende bewerkingsfuncties:

Ongedaan maken
U kunt de functie Ongedaan maken niet uitvoeren na de functies Knippen, Plakken, Volgende plakken en Wissen omdat deze functies weergavegebieden in de protocolconverter wijzigen.
Knippen en Wissen
Als een gebied dat u wilt knippen of wissen een veldkenmerkteken of een beschermd veld bevat, of als iedere regel in dat gebied eindigt aan het einde van een niet-beschermd veld, kunnen de volgende situaties zich voordoen:

Als u een van de opties Knippen of Wissen kiest, kunt u het beste alleen het gebied opgeven dat u echt nodig hebt (bijvoorbeeld een paar woorden of één veld op één regel) en vervolgens controleren of het kader zich bevindt in een niet-beschermd veld.

Plakken en Volgende plakken
Als het gebied dat u wilt plakken een veldkenmerkteken of een beschermd veld bevat, of als iedere regel in dit gebied eindigt aan het einde van een niet-beschermd veld, kunnen de volgende situaties zich voordoen:

Als u de optie Plakken kiest, kunt u het beste een zo kort mogelijke tekenreeks plakken (bijvoorbeeld een tekenreeks zonder CR/LF). Controleer of het gebied dat u wilt plakken zich in een niet-beschermd veld bevindt.

DBCS-parameter IME Automatisch starten (alleen DBCS)

Standaard wordt voor een sessie IME automatisch gestart, wat betekent dat wanneer de cursor naar een DBCS-veld wordt verplaatst, de voor het systeem geselecteerde IME automatisch wordt geactiveerd. In PCSWIN.INI is een parametervlag toegevoegd aan de sectie [DBCS] waarmee u deze functie uit kunt schakelen.

[DBCS]         IME_AUTO_START=N  

De standaardwaarde is Y (Ja). Als in het INI-bestand "N" is opgeven, wordt de IME niet automatisch geactiveerd. U moet de IME dan activeren via een systeemtoetscombinatie.

DOS GAIJI-bestanden (alleen Japans)

Met de GAIJI-editor J kunt u alleen GAIJI-bestanden verwerken die gemaakt zijn met de Windows 3.1 GAIJI-editor. DOS GAIJI-bestanden kunnen niet worden verwerkt. Het GAIJI-HENKAN-HOJO-hulpprogramma GAIJICNV.EXE kan als volgt worden gebruikt voor de conversie van DOS GAIJI-bestanden:

  1. Start GAIJICNV.EXE. Dit programma bevindt zich in de installatiedirectory van Personal Communications.

    In het venster dat wordt geopend, kunt u een bronbestand en een doelbestand opgeven.

  2. Geef als bronpad/bestand C:\$SYS1Z24.FNT op en als doelpad/bestand C:\USERFONT.FON.
  3. Start de conversie met de opdrachtknop Conversion.
  4. Start de Gaiji-editor voor Windows en pak het bestand op dat in stap drie is gemaakt, C:\USERFONT.FON.

Voor elk bestand hoeft u de conversie slechts voor één lettertype uit te voeren (24x24 of 16x16), niet voor beide.

Op iSeries, eServer i5 of System i5 gedefinieerd lettertype gebruiken (alleen Japans)

U kunt het door de gebruiker op een iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem gedefinieerde lettertype (GAIJI) omzetten naar Windows met behulp van IBM Personal Communications Tools/400 (PCT/400), IBM Personal Communications en de Gaiji-editor van Windows.

De procedure daarvoor is als volgt:

  1. PCT/400
  2. Personal Communications
  3. Windows 2000 en Windows XP

Voorbeeld

  1. Kopieer de door de gebruiker gedefinieerde lettertype-images van de DBCS-lettertypetabel naar een bestand met behulp van de opdracht CPYUSRFNT.
          a. ADDLIBLE QPCT          (Toevoegen van bibliotheek QPCT aan de
                                     lijst van bibliotheken)
          b. CPYUSRFNT              (Kopiëren van lettertypen met standaard-
                                     waarden voor de parameters)

    Het fysieke bestand USRFNT wordt gemaakt in de bibliotheek QTEMP en de door de gebruiker gedefinieerde lettertypen worden vanaf de DBCS-lettertypetabel naar sectie USRFNT gekopieerd.

  2. Download QTEMP/USRFNT(USRFNT) naar de PC als bestand USRFNT.FNT met behulp van het programma voor bestandsoverdracht van Personal Communications.
  3. Converteer USRFNT.FNT met het GAIJI-HENKAN-HOJO-hulpprogramma GAIJICNV.EXE.
  4. Start de Windows GAIJI-editor om het gemaakte bestand vast te leggen.

Verschillen met Windows 3.1

  1. Het GAIJI-HENKAN-HOJO-hulpprogramma GAIJICNV.EXE wordt gebruikt voor de conversie van USRFNT.FNT. Het hulpprogramma voor de configuratie van lettertypen (SETUFNTV.EXE), dat deel uitmaakt van PCT/400, wordt niet gebruikt. Om die reden hoeft u SETFNTV.EXE (Font Setup Utility) niet te downloaden van het iSeries-, eServer i5- of System i5-systeem.
  2. Voor het vastleggen van het lettertype in Windows wordt de GAIJI-editor van Windows gebruikt.

Bestanden overbrengen

Met Personal Communications kunt u een of meer bestanden overbrengen van een host naar een werkstation en andersom. U kunt de opties voor bestandsoverdracht van tevoren definiëren, zodat u bestanden van verschillende typen snel en eenvoudig kunt versturen.

Opmerking:

PCT400 is met ingang van 3/98 niet meer beschikbaar.

Met Personal Communications kunt u de volgende functies voor bestandsoverdracht uitvoeren:

Bestanden verzenden naar de host
U kunt bestanden verzenden via de optie Bestanden naar host verzenden uit het menu Acties of door de knop Verzenden te kiezen op de werkbalk. Als u 3270-sessies gebruikt, typt u de opdracht SEND achter een DOS-aanwijzing.

U kunt ook bestanden verzenden met een EHLLAPI- of DDE-toepassing of een macro die de bestandsoverdracht start.

Bestanden ontvangen van de host
U kunt bestanden ontvangen via de optie Bestanden van host ontvangen uit het menu Acties of door de knop Ontvangen te kiezen op de werkbalk. Als u 3270-sessies gebruikt, typt u de opdracht RECEIVE achter een DOS-aanwijzing.

U kunt ook bestanden ontvangen met een EHLLAPI- of DDE-toepassing of een macro die de bestandsoverdracht start.

Gegevensoverdracht
Voor 5250-sessies kiest u Voorkeuren -> Overdracht uit het menu Bewerken. Vervolgens kiest u Gegevensoverdracht op de pagina Algemeen. Wanneer u een van de bovenstaande bewerkingen uitvoert, wordt begonnen met de gegevensoverdracht. Als u de optie Gegevensoverdracht niet hebt geselecteerd, wordt bestandsoverdracht opgeroepen.
Modellen maken, testen, vervangen en wissen
U kunt een model maken om Personal Communications automatisch overdrachtstypen en bestandsnamen op het werkstation of de host te laten genereren als u bestanden selecteert die u wilt verzenden of ontvangen.
Opmerking:
U kunt geen model voor bestandsoverdracht definiëren volgens de naamgeving voor lange bestandsnamen.
Overdrachtstypen definiëren
U kunt voor elke host maximaal 16 overdrachtstypen definiëren. In eerste instantie zijn de overdrachtstypen tekst, binair en toevoegen (behalve voor CICS) ingesteld.
Conversietabellen selecteren, maken en aanpassen
U kunt opgeven welke conversietabel wordt gebruikt bij de bestandsoverdracht.
DBCS-conversietabellen selecteren, maken en aanpassen
U kunt opgeven welke DBCS-conversietabel wordt gebruikt bij de bestandsoverdracht. (Alleen Japans en Koreaans)
Bestanden importeren of exporteren (alleen PC/3270)
Importeren/exporteren is een communicatieprogramma voor kantooromgevingen dat wordt uitgevoerd op het CICS-systeem (Customer Information Control System) van IBM. Met de functie Importeren/exporteren kunt u FFT- (Final Form Text), RFT- (Revisable Form Text) en PC-documenten importeren en exporteren.

Wanneer u een bestand exporteert vanaf de host, ontvangt uw werkstation het geëxporteerde bestand en een IDP-bestand (Interchange Document Profile). Voordat u een bestand op uw werkstation kunt importeren, moet u eerst een IDP-bestand met transmissiegegevens maken.

Interactieve documentprofielbestanden maken (alleen PC/3270)
Een IDP-bestand bevat koptekstgegevens over een document. Zo'n bestand heeft dezelfde naam als het bestand dat wordt overgebracht, maar met de extensie IDP.

Kies Voorkeuren -> Overdracht uit het menu Bewerken als u een IDP-bestand wilt maken.

Opmerking:
Als u bestanden overbrengt via een Telnet5250-sessie, kunt u geen bestanden overbrengen die de hexadecimale tekenreeks FFEF bevatten. De huidige versie van het Telnet-programma voor iSeries-, eServer i5- en System i5-systemen interpreteert FFEF in het bestand ten onrechte als een markering voor het einde van een record.

Gegevensoverdracht ASCII-host

Als u bestanden overbrengt van de ene naar de andere computer, moet u bepaalde protocollen volgen. U kunt alleen bestanden overbrengen als uw PC hetzelfde protocol gebruikt als de host. Personal Communications ondersteunt de openbare domeinprotocollen XMODEM en YMODEM.

Voor wat betreft XMODEM gebruikt Personal Communications de protocollen XMODEM en XMODEM1K. XMODEM is een blokgeoriënteerd protocol met automatische foutcontrole. Het is een half-duplexprotocol waarmee per overdracht één bestand kan worden verzonden. XMODEM1K is identiek aan XMODEM, alleen gebruikt dit protocol grotere pakketten van 1024 bytes (1 kB).

Het protocol YMODEM is vergelijkbaar met het protocol XMODEM1K in de zin dat hiermee gegevens worden overgebracht in pakketten van 1 kB, maar per overdracht kunnen er meerdere bestanden worden verzonden.

Met het protocol YMODEMG worden net als met YMODEM meerdere bestanden overgebracht, maar er worden geen foutopsporing en foutcorrectie uitgevoerd. De overdracht kan dan ook veel sneller gaan dan met YMODEM, maar de gegevensverbinding moet foutloos kunnen werken.

Met Personal Communications kunt u de volgende functies voor gegevensoverdracht naar of van ASCII-hosts uitvoeren:

Alle typen bestanden verzenden naar de host
Bestanden verzenden met het menu Overbrengen via XMODEM, YMODEM, XMODEM1K of YMODEMG.
Bestanden ontvangen van de host
Bestanden ontvangen met het menu Overbrengen via XMODEM, YMODEM, XMODEM1K of YMODEMG.
Modellen maken, testen, vervangen en wissen
U kunt een model maken om Personal Communications automatisch overdrachtstypen en bestandsnamen op het werkstation of de host te laten genereren als u bestanden selecteert die u wilt verzenden of ontvangen.

De opmaak van een sessievenster instellen

Met de onderstaande opties kunt u de opmaak van het sessievenster aanpassen. Deze opties vindt u via het menu Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie.

Beeldscherm instellen
Hiermee kunt u verschillende schermkenmerken aanpassen, zoals de cursor, de muisaanwijzer, de positielijn en de stijlen voor beelduitsneden, grafische voorstellingen, geluid, DBCS en het kleurenpalet.
Kleuren toewijzen
Hiermee stelt u de kleuren in voor de sessievensters.
Lettertype
Kies het lettertype dat u wilt gebruiken voor de vensters van beeldstationsessies en bepaal of een automatische of vaste grootte moet worden gebruikt. Als u voor een lettertype met vaste grootte kiest, kunt u de grootte hier instellen. Uit welke lettertypen u kunt kiezen, hangt af van het type beeldscherm dat u gebruikt.
Opmerking:
U kunt de lettergrootte niet wijzigen als het sessievenster is vergroot tot maximumvenster.
Venster instellen
Hiermee kunt u de weergave en de titel van het sessievenster aanpassen en het sessiepictogram wijzigen.

Geluid

Personal Communications biedt de mogelijkheid programmageluiden aan te passen via het Windows Configuratiescherm. U kunt bepaalde programmageluiden instellen met gebruikmaking van de geluidsbestanden die met Personal Communications worden meegeleverd.

Desgewenst kunt u alle programmageluiden onderdrukken. Deze optie is beschikbaar via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Presentatie -> Beeldscherm instellen -> Geluid.

Werkbalk instellen

De werkbalk wordt afgebeeld in het sessievenster, onder de menubalk. Met de werkbalk kunt u snel functies van Personal Communications oproepen, opties kiezen en gedefinieerde macro's uitvoeren.

Via het voorgrondmenu van de werkbalk kunt u snel en gemakkelijk werkbalkitems maken, wijzigen en verwijderen. Ook kunt u hiermee aangepaste werkbalken opslaan en laden. Als u de werkbalk aanpast, kunt u de volgorde van de items wijzigen en items toevoegen of verwijderen. Ook kunt u de aan een item gekoppelde functie, titel of grafische voorstelling wijzigen en de lettertypen, kleuren en andere visuele elementen van de werkbalk wijzigen. De instellingen worden opgeslagen in een BAR-bestand.

Als u de werkbalk wilt aanpassen, kiest u Voorkeuren -> Werkbalk -> Stijl werkbalk uit het menu Bewerken. U kunt ook het voorgrondmenu van de werkbalk afbeelden door de muisaanwijzer op een willekeurig gedeelte van de werkbalk te plaatsen en met de rechtermuisknop te klikken.

Raadpleeg de online Help voor meer informatie over het aanpassen van de werkbalk.

Zie De menubalk, statusbalk of werkbalk afbeelden of verbergen voor informatie over het verbergen van de werkbalk.

De menubalk, statusbalk of werkbalk afbeelden of verbergen

U kunt de menubalk, statusbalk en werkbalk afbeelden of verbergen. Als de menubalk wordt afgebeeld, kunt u de statusbalk en de werkbalk afbeelden en verbergen via de menuoptie Beeld. U kunt ook het volgende doen:

Venster instellen

Als u de selectie van de optie Stijl maximumvenster -> Met titelbalk via de menuopties Bewerken -> Voorkeuren -> Venster instellen ongedaan maakt, dan heeft op sommige Windows-besturingssystemen de optie Alle vensters minimaliseren van de Windows-taakbalk mogelijk geen effect. Om het sessievenster in zo'n geval tot pictogram te verkleinen, moet u op Alt-Spatie drukken en Minimaliseren kiezen.

Hulpfuncties instellen en gebruiken

Met de in dit hoofdstuk beschreven hulpfuncties kunt u het systeem op een efficiëntere manier gebruiken. U kunt de Toetsenbord-/macro-/scriptfunctie aanpassen via de menuoptie Acties. De overige functies kunnen worden gewijzigd via het menu Bewerken.

Toetsenbord-, macro- en scriptfuncties

Met de toetsenbord-/macro-/scriptfunctie kunt u macro's en scripts afspelen of toetsfuncties van Personal Communications kiezen zonder het toetsenbord te gebruiken. De macro's, scripts of toetsenbordfuncties worden uitgevoerd op de huidige cursorpositie in het sessievenster.

Scriptfuncties

In de emulatoromgeving kunt u VBScripts schrijven, opnemen, uitvoeren en beëindigen. Deze scripts kunnen gebruikmaken van de HACL-automatiserings-API. Tot de verwerkingsomgeving voor programmeren behoren methoden, klassenbeschrijvingen en eigenschappen. VBScript is een subset van de programmeertaal Visual Basic.

Macrofuncties

Een macro is een reeks hostopdrachten of bewerkingen met de muis of het toetsenbord die u kunt starten met een enkele handeling, bijvoorbeeld een toetsaanslag. Voordat u een macro kunt gebruiken, moet u deze definiëren. Zie voor meer informatie Macro/script instellen en gebruiken.

Toetsfuncties

Personal Communications bevat een groot aantal toetsfuncties die u kunt toewijzen aan de toetsen van het toetsenbord, de muisknoppen of de toetsen op het toetsenblok. U kunt de toetsfuncties ook gebruiken om macro's te maken.

CM Mouse (voorbeeldtoepassing)

CM Mouse is een voorbeeldtoepassing bij Personal Communications die intelligente en programmeerbare muisondersteuning voor 3270- en 5250-emulatiesessies biedt. Met behulp van CM Mouse kunnen gebruikers van hosttoepassingen met eenvoudige muisbewerkingen hostfuncties uitvoeren. Dankzij de toegepaste technologie voor schermherkenning worden bij de hotspots van CM Mouse vrijwel onmiddellijk contextgevoelige functies aangeboden voor elk venster van een hosttoepassing.

Voorgrondmenu's van CM Mouse bieden u rechtstreeks toegang tot een lijst met opties en functies die u op eenvoudige wijze met de muis kunt uitvoeren. Met behulp van voorgrondmenu's kunt u gemakkelijk opdrachten en opties kiezen en herhaalde bewerkingen automatiseren.

Raadpleeg de publicatie CM Mouse Support User's Guide and Reference voor meer informatie over CM Mouse.

Hotspots instellen

Een hotspot is een gebied in het sessievenster waarop u met de linkermuisknop kunt klikken om een opdracht of functie uit te voeren. Hierbij hebt u het toetsenbord niet nodig. U kunt bijvoorbeeld dubbelklikken op het nummer van een functietoets om de bijbehorende functie uit te voeren.

Tip:
Selecteer Hotspots afbeelden om driedimensionale hotspots af te beelden. Hierop hoeft u slechts eenmaal te klikken, en ze zijn duidelijk herkenbaar op het scherm.

U kunt de onderstaande handelingen definiëren voor een hotspot:

Hotspots gebruiken

Opmerking:
U hebt een muis nodig om hotspots te kunnen gebruiken.

Als u een hotspot wilt gebruiken, voert u de volgende stappen uit:

  1. Plaats de muisaanwijzer op de hotspot die wordt afgebeeld in het sessievenster.
  2. Dubbelklik met de linkermuisknop. Op 3D-hotspots hoeft u slechts eenmaal te klikken.

    Personal Communications bepaalt of u een hotspotfunctie hebt toegewezen aan het item dat wordt afgebeeld op de positie van de muisaanwijzer. Als dit het geval is, wordt de hotspotfunctie uitgevoerd. Als aan een tekenreeks twee of meer hotspots zijn toegewezen, wordt de eerst verkregen hotspot verwerkt.

    Hotspots worden in de onderstaande volgorde uitgevoerd:

    1. Aanwijzen-en-kiezen (verbinding met website via URL)
    2. PFnn, FPnn, Fnn, nn
    3. Aanwijzen-en-kiezen (macro uitvoeren)
    4. Aanwijzen-en-kiezen (geselecteerde reeks invoeren)
    5. Aanwijzen-en-kiezen (Enter-toets simuleren op cursorpositie)

Toetsenbord instellen

Met Toetsenbord instellen kunt u de functies wijzigen die zijn toegewezen aan de toetsen van het toetsenbord.

U kunt de volgende functies definiëren voor de toetsen:

Opmerking:
Standaard is de Enter-functie toegewezen aan de Ctrl-toets. Als u deze toewijzing wilt wijzigen of als uw toetsenbord niet compatibel is met IBM-toetsenborden en de Enter-toets niet goed werkt, moet u de instellingen voor het toetsenbord aanpassen. Voor 3270- en 5250-sessies kunt u gebruikmaken van de nieuwe bestanden voor de toetsenbordindeling die zijn meegeleverd bij Personal Communications. Raadpleeg de publicatie Emulator User's Reference voor meer informatie over toetsenbordtoewijzingen en -functies.

Toetsenbordbestand

Als u een nieuwe toets opgeeft, kunt u de nieuwe toetsenbordindeling opslaan in een KMP-bestand. Als u twee of meer toetsenbordbestanden maakt, kunt u deze desgewenst afwisselend gebruiken.

Ga als volgt te werk om een functie toe te wijzen aan een toets op het toetsenbord:

  1. Kies Voorkeuren -> Toetsenbord uit het menu Bewerken of klik op het pictogram voor de toewijzing van een toets op de werkbalk.
  2. Kies Aanpassen als het venster Toetsenbord Instellen wordt afgebeeld.
  3. Wijs de toetsfuncties toe. Uitgebreide instructies hierover vindt u in de online Help.
  4. Sla de wijzigingen op en sluit het venster Toetsenbord Aanpassen.
  5. Kies OK als u de instellingen hebt voltooid.

U kunt het hele toetsenbord opnieuw instellen op de beginwaarden of bepaalde toetsen instellen op de standaardwaarde:

Opmerking:
Zeven toetsen kunt u niet opnieuw definiëren, deze zijn grijs of dof afgebeeld in het venster Toetsenbord Instellen. Dit zijn de toetsen: Alt, AltGr, Print Screen, Scroll Lock, CapsLock, NumLock en Shift.

Toetsenbord van de VT-emulator instellen

Als u werkt met een VT-emulatorsessie, kunt u ASCII-stuurcodes opnemen in de tekenreeksen die u definieert voor uw aangepaste toetsenbord.

Gebruik het teken # voor de CTRL-toets gevolgd door een teken uit de volgende lijst (alleen hoofdletters zijn toegestaan):

@ABCDEFGHIJKLMNOPQRSTUVWXYZ[\]^_

Gebruik ## voor het teken #. Zo staat 123##45 bijvoorbeeld voor 123#45.

Als # wordt gevolgd door een ander teken dan een van de afgebeelde tekens, ontvangt u een foutbericht:

PCSKBD160 -
Onbekende toetsdefinitie: " tekenreeks

Voor de tekenreeks "#a luidt het foutbericht bijvoorbeeld

PCSKBD160 - Onbekende toetsdefinitie: "#a

De volgende stuurcodes zijn beschikbaar:

Tekenpaar Ctrl-toets Opmerkingen
#@ Ctrl-@ null-waarde
#A Ctrl-A
t/m
#Z Ctrl-Z
#[ Ctrl-[ ESC
#\ Control-\
#] Ctrl-]
#^ Control-^
#_ Ctrl-_

Omdat het KMP-bestand kan worden bewerkt met een editor, wordt tijdens de uitvoering gecontroleerd of de toegewezen tekenreeks toegestaan is. Als de reeks "### is opgegeven, wordt # afgebeeld en gevolgd door een geluidssignaal om aan te geven dat niet de gehele tekenreeks is afgespeeld. Als de reeks "123#a456 wordt verwerkt, wordt 123 afgebeeld en gevolgd door een geluidssignaal om aan te geven dat niet de gehele tekenreeks is afgespeeld.

Macro/script instellen en gebruiken

Een macro is een reeks hostopdrachten of bewerkingen met de muis of het toetsenbord die u kunt starten met een enkele handeling, bijvoorbeeld een toetsaanslag. U kunt een bestaande macro wijzigen of een nieuwe macro maken door Voorkeuren -> Macro/script uit het menu Bewerken te kiezen.

Een script is een programma in VBScript, dat een subset is van de programmeertaal Visual Basic. Zie de online Help voor informatie over VBScript.

Macro of script gebruiken

U kunt een macro of een script op verschillende manieren gebruiken. In Tabel 10 kunt u aan de hand van een aantal voorbeelden zien hoe u macro's en scripts kunt instellen en vervolgens gebruiken.

Tabel 10. Voorbeelden van het instellen en gebruiken van macro's
Functie Handeling
Automatisch macro of script afspelen als sessie start Stel een Zelfstartende macro/script in
Macro of script afspelen terwijl u een hosttoepassing uitvoert Afspelen macro/script starten
Macro of script afspelen met toetsenbord- of macrofunctie Gebruik Toetsenbord- /macro-/scriptfunctie
Klikken op hotspot om macro of script af te spelen Stel een Hotspot in
Macro of script toewijzen aan toets van toetsenblok Pas Toetsenblok-bestand aan
Met muisknop klikken om macro af te spelen Pas Muis-bestand aan
Toets van toetsenbord indrukken om macro of script af te spelen Pas Toetsenbord-bestand aan

Macro's maken

U kunt een macro maken door zelf de inhoud ervan op te geven, of door een aantal uitgevoerde handelingen bij een hostsysteem, bijvoorbeeld de aanmeldingsprocedure, op te nemen.

Ga als volgt te werk als u zelf een macro wilt maken:

  1. Voorkeuren -> Macro/script uit het menu Bewerken.
  2. Kies Aanpassen als het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.
  3. Als het venster Macro/Script Aanpassen wordt afgebeeld, kiest u Bestand, Nieuw en Macro en voert u de macro in. U kunt de instructies rechtstreeks opgeven of functies, tekens en zelfs andere macro's selecteren in de lijst met toetsacties onder Toetsactie selecteren.

    Zie de online Help voor uitgebreide informatie.

  4. Kies Bestand en vervolgens Opslaan om het macrobestand op te slaan.
Opmerkingen:
  1. Macro's die zijn geconverteerd naar XML, zijn bedoeld voor gebruik in Host On-Demand en werken niet in emulatiesessies van Personal Communications. Met de HOD Macro Manager kunt u een geconverteerde Personal Communications-macro importeren in Host On-Demand. Deze geconverteerde macro's worden niet afgebeeld in de lijst van beschikbare macro's voor Personal Communications.
  2. In een Arabische sessie wordt bij het maken van een XML/VBScript-macro codetabelconversie uitgevoerd, zodat Arabische tekens in de macro juist worden afgebeeld. Als de macro wordt opgenomen, verloopt de codetabelconversie als volgt:

    Als de macro wordt uitgevoerd, verloopt de codetabelconversie als volgt:

Macro-instructies

Bij het maken van een macro kunt u de volgende macro-instructies gebruiken:

Toetsfunctie
Beschikbare toetsfuncties van Personal Communications gebruiken.
Macro
U kunt een macro binnen een andere macro aanroepen, maar het is niet mogelijk om een lusconstructie te maken, waarbij de ene macro steeds aan het eind van een andere macro wordt gestart.
Teken
U kunt alle tekens gebruiken in de lijst Teken in het venster Macro Aanpassen.
Tekenreeks
U kunt tekenreeksen opgeven die u kunt typen met het toetsenbord. De tekenreeks moet beginnen met dubbele aanhalingstekens (").
Wachtvoorwaarde
U kunt wachtvoorwaarden opgeven om de verwerking te onderbreken tot de opgegeven tijd verstreken is of de toestand optreedt waarin aan de opgegeven voorwaarde wordt voldaan.
Tokens
U kunt tokens gebruiken zoals GOTO en RUN om logische opdrachten toe te voegen aan de macro.

Technische informatie over macrolussen

Het gebruik van GOTO- en LABEL-tokens in een macro om een programmalus te maken kan leiden tot onvoorspelbare resultaten als de lus een groot aantal keren wordt doorlopen (meer dan 1000).

Een script maken

U kunt een script maken door zelf de inhoud ervan op te geven, of door een aantal uitgevoerde handelingen, bijvoorbeeld de aanmeldingsprocedure bij een hostsysteem, op te nemen. Bij scripts kan uitgebreider gebruik worden gemaakt van programmeerinstructies dan bij macro's mogelijk is.

Ga als volgt te werk om een script maken:

  1. Voorkeuren -> Macro/script uit het menu Bewerken.
  2. Kies Aanpassen als het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.
  3. Als het venster Macro/Script Aanpassen wordt afgebeeld, kiest u Bestand, Nieuw en VBScript en voert u het script in. Het grijs afgebeelde gedeelte onder Toetsactie selecteren is niet beschikbaar voor het maken van scripts.

    Zie de online Help voor uitgebreide informatie.

  4. Kies Bestand en vervolgens Opslaan om het scriptbestand op te slaan.

Zelfstartende macro of script configureren

U kunt als volgt een zelfstartende macro of script configureren:

  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> Macro/script.

    Het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.

  2. Maak een macro of script zelfstartend. Bij het opstarten van het werkstation wordt de gekozen macro of het script automatisch uitgevoerd.
  3. Raadpleeg de online Help voor uitgebreide instructies en kies OK als u klaar bent met het opgeven van de instellingen.

Java-applet configureren voor automatisch starten

Als u een Java-applet automatisch wilt laten uitvoeren, kunt u aan een macro de functie Applet uitvoeren toevoegen. U kunt deze functie toevoegen voor een zelfstartende macro, zodat de applet kan worden uitgevoerd wanneer de sessie wordt gestart.

  1. Kies Bewerken -> Voorkeuren -> Macro/script.

    Het venster Macro/script instellen wordt afgebeeld.

  2. Selecteer Applet uitvoeren uit de vervolgkeuzelijst Functie en typ de naam van de klasse.

Zie de online Help voor de syntaxis en gedetailleerde instructies.

Opmerking: De opgegeven appletklasse moet zich in dezelfde directory bevinden als het WS-bestand waarin de macro is opgenomen.

Macro's en scripts opnemen

U start de opname van een macro of script als volgt:

  1. Klik op Opnemen macro starten uit het menu Acties.
  2. Geef de naam op van de macro of het VBScript.
  3. Selecteer de recordgrootte.

    Als u een macrobestand wilt opnemen voor Snel aanmelden, selecteert u het aankruisvakje Aan en geeft u het ELF-toepassings-ID (Express Logon Feature) op.

  4. Configureer de overige opties en kies OK.
Opmerking:
Als u een macro wilt opnemen, wordt de verwerking van niet-afbeeldbare velden bepaald door de instelling van de parameter HideNonDisplayDataOnRecord=Y in de sectie [Keyboard] van het WS-bestand. De verborgen velden worden genegeerd gedurende de opnamesessie.

Als u de opname van een macro of script wilt afbreken, kiest u Acties -> Opnemen macro annuleren. De opname wordt geannuleerd en de macro of het script wordt niet opgeslagen.

Als u de opname van een macro of script wilt onderbreken, kiest u Acties -> Opnemen macro onderbreken. De opname van de macro of het script wordt onderbroken. Om weer verder te gaan met de opname, kiest u Opnemen macro hervatten.

Als u de opname van een macro of script wilt beëindigen, kiest u Acties -> Opnemen macro stoppen. De opname wordt beëindigd en de macro wordt opgeslagen in het opgegeven bestand.

Macro's en scripts afspelen

Als u een macro of script wilt afspelen, kiest u Acties -> Macro/script afspelen, selecteert u de macro of het script en kiest u OK. De geselecteerde macro wordt afgespeeld.

Als u het afspelen van een macro of script wilt stoppen, kiest u Acties -> Macro/script beëindigen. Het afspelen van de macro of het script wordt beëindigd.

Opmerking:
Als u een macro wilt afspelen, wordt de verwerking van niet-afbeeldbare velden bepaald door de instelling van de parameter HideNonDisplayDataOnRecord=Y in de sectie [Keyboard] van het WS-bestand. Voor deze instelling wordt een venster afgebeeld waarin u gegevens moet opgeven. Typ de gewenste gegevens en druk op Enter om door te gaan.

Functie Snel aanmelden

Met de functie Snel aanmelden (ELF, Express Logon Feature) kan een gebruiker van Personal Communications TN3270E zich aanmelden bij een hosttoepassing zonder dat hiervoor het gebruikers-ID en het wachtwoord hoeven te worden verzonden. Deze functie dient alleen in bepaalde omstandigheden te worden gebruikt door beheerders van Personal Communications. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor gedetailleerde informatie over de implementatie.

Macro opnemen voor Snel aanmelden

U neemt als volgt een macro op voor de functie Snel aanmelden:

  1. Kies de bestandsindeling Macro voor de opname.
  2. Selecteer Aan bij Snel aanmelden voor macro.
  3. Geef het toepassings-ID op voor Snel aanmelden.
  4. Voer de volgende stappen uit wanneer u wordt gevraagd om het gebruikers-ID in te voeren:
    1. Typ het gebruikers-ID.
    2. Typ het wachtwoord in het wachtwoordveld. Het wachtwoord wordt niet afgebeeld wanneer u het typt.
    3. Typ de overige aanmeldingsgegevens pas wanneer u het wachtwoord hebt opgegeven.

    De toetsaanslagen die zijn opgenomen tijdens de aanmelding, worden opgeslagen in het macrobestand voor Snel aanmelden. Personal Communications zal proberen het door u ingevoerde gebruikers-ID en wachtwoord te herkennen en te vervangen door de speciale plaatshouderparameters )USR.ID( en )PSS.WD(. Deze automatische herkenning werkt alleen als het wachtwoord wordt getypt in het eerste beveiligde invoerveld. Er wordt aangenomen dat het gebruikers-ID direct voorafgaand aan het wachtwoord is ingevoerd.

    Als u een typfout hebt gemaakt in de aanmeldingsgegevens, moet u de macro opnieuw opnemen.

Tijdens het latere afspelen van de macro worden het toepassings-ID (opgeslagen in de macro) voor Snel aanmelden en de beveiligde verbinding gebruikt om de aanmeldingsprocedure te herhalen zonder dat er een gebruikers-ID en wachtwoord hoeft te worden opgegeven.

U kunt de macro voor Snel aanmelden ook handmatig configureren. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie.

Macro voor Snel aanmelden controleren

U kunt een macro voor aanmelding bij een hosttoepassing bekijken om te controleren of het gebruikers-ID en het wachtwoord zijn vervangen door de speciale codes. Dit doet u als volgt:

  1. Op de menubalk kiest u Bewerken -> Voorkeuren -> Macro/script om het macrobestand waarin de opgenomen toetsaanslagen zijn opgeslagen te openen.
  2. Selecteer het macrobestand dat u zojuist hebt opgenomen en kies Aanpassen.
  3. Controleer of het gebruikers-ID is vervangen door twee codes: het ELF-toepassings-ID en de plaatshouder voor het ELF-gebruikers-ID. De code voor het toepassings-ID bestaat uit de volgende drie woorden, gescheiden door een spatie: elf, applid en het ID van de hosttoepassing waarbij de gebruiker zich aanmeldt. De plaatshouder voor het gebruikers-ID is )USR.ID(.

    De tekenreeks "myUserID moet bijvoorbeeld zijn vervangen door ")USR.ID(.

  4. Controleer of het wachtwoord is vervangen door de plaatshoudercode voor het ELF-wachtwoord )PSS.WD(.

    Zo moet de tekenreeks "myPassword zijn vervangen door ")PSS.WD(.

Muis instellen

Met de opdracht Muis instellen kunt u functies toewijzen aan de linker- en rechtermuisknop. Hierdoor kunt u de volgende handelingen uitvoeren zonder het toetsenbord te gebruiken:

Muisbestand

De functies die aan de muisknoppen zijn toegewezen, kunt u opslaan in een muisbestand (MMP-bestand). U kunt twee of meer muisbestanden maken en deze desgewenst afwisselend gebruiken.

U kunt als volgt de muis instellen en functies toewijzen aan de muisknoppen:

  1. Kies Voorkeuren -> Muis uit het menu Bewerken.

    De huidige instellingen worden afgebeeld in het venster Muis instellen.

  2. Geef de gewenste instellingen op. Uitgebreide instructies hiervoor vindt u in de online Help.

    Ga als volgt te werk als u een muisbestand wilt maken of bewerken:

    1. Kies Aanpassen.
    2. Als het venster Muis Aanpassen wordt afgebeeld, wijst u functies toe aan de linker- en rechtermuisknop van de muis. Deze functies worden afgebeeld in het veld Huidige actie van muisknop.
    3. Selecteer de gewenste functies in de lijst met toetsdefinities.
    4. Sla uw wijzigingen op en kies OK.
  3. Kies OK.

    U bent nu klaar met het instellen van de muis.

Toetsenblok instellen

Het toetsenblok is een klein venster met een aantal toetsen. U beeldt het toetsenblok af door met de rechtermuisknop op een willekeurige plaats in het sessievenster te klikken.

U kunt de volgende functies aan de toetsen toewijzen:

Als u deze functies wilt uitvoeren, hoeft u enkel met de linkermuisknop op een knop van het toetsenblok te klikken.

Als u een korte beschrijving van een toetsfunctie of een macronaam wilt afbeelden, klikt u met de rechtermuisknop op de naam van de functie of de macro.

Toetsenblokbestand

U kunt het aantal toetsen van het toetsenblok opgeven, functies aan deze toetsen toewijzen en de kleuren van de knoppen instellen. U kunt ook de opgegeven instellingen voor het toetsenblok opslaan in een toetsenblokbestand.

Een toetsenblokbestand (PMP-bestand) bevat gegevens over het aantal knoppen in het toetsenblok, de functies die aan deze knoppen zijn toegewezen en de kleurinstellingen. U kunt aangeven welk toetsenblokbestand voor het toetsenblok moet worden gebruikt.

Het toetsenblok gebruiken

Ga als volgt te werk om het toetsenblok te gebruiken:

  1. Klik met de rechtermuisknop ergens in het sessievenster. Het maakt niet uit op welke positie de muisaanwijzer zich bevindt.
  2. Kies Blok 1, Blok 2, Blok 3 of Blok 4.
  3. Kies de gewenste toets op het toetsenblok.

Het toetsenblok instellen:

  1. Kies Voorkeuren -> Toetsenblok uit het menu Bewerken.
  2. Geef de gewenste instellingen op als het venster Toetsenblok instellen wordt afgebeeld. Uitgebreide instructies hiervoor vindt u in de online Help.

    Als u het toetsenblokbestand wilt bewerken, kiest u Aanpassen en brengt u de wijzigingen aan.

  3. Kies OK. Het toetsenblok dat u hebt geselecteerd is klaar voor gebruik.

Tabs instellen (VT-sessies)

Met de functie Tabs Instellen kunt u de tabstops definiëren voor uw VT-sessies.

Webbrowser instellen

Bij de instellingen voor de webbrowser kunt u aangeven welke webbrowser uw voorkeur geniet en deze gebruiken in plaats van de webbrowser die deel uitmaakt van uw besturingssysteem.

Emulatorsessies beheren

Personal Communications biedt verschillende functies voor het werken met meerdere sessievensters, naast de voorzieningen die Windows daarvoor heeft. Dankzij deze functies kunt u snel en gemakkelijk met uw sessievensters werken. Het menu Venster bevat de volgende opties:

Schakelen
Met Schakelen kunt u een van de andere momenteel geopende sessievensters activeren.

U kunt deze optie niet gebruiken om naar een sessievenster te gaan dat verborgen is. In dat geval moet u Sessie afbeelden uit het menu Venster kiezen om het sessievenster op het scherm af te beelden. Kies vervolgens Schakelen.

Sessie verbergen
Kies Sessie verbergen als u wilt dat een zichtbaar sessievenster niet langer wordt afgebeeld.

U kunt niet alle sessies verbergen. Minstens een sessie is altijd zichtbaar.

Sessie afbeelden
Kies Sessie afbeelden als u een sessievenster wilt afbeelden dat eerder is verborgen met de optie Sessie verbergen.

Kies het menu Beeld om de vensters af te beelden in een rangschikking die eerder is opgeslagen of om de huidige rangschikking op te slaan.

Personal Communications kan de volgende gegevens opslaan met betrekking tot de weergave van een sessievenster:

U kunt de weergavegegevens van maximaal acht vensters opslaan.

Help opvragen

Zie de online Help voor meer informatie over het beheer van sessievensters:

  1. Kies Procedures uit het menu Help.
  2. Zoek, als het Help-venster wordt afgebeeld, naar Werkstationvensters beheren.

    Maak een keuze uit de lijst met gedetailleerde informatie.

Ondersteuning voor codetabellen 1390/1399

Personal Communications ondersteunt de codetabellen 1390 en 1399. Hierdoor kunnen ook Japanse tekens worden verwerkt. Raadpleeg de publicatie Administrator's Guide and Reference voor meer informatie over ondersteuning van Unicode.

Detecteren en repareren

U kunt de functie Help -> Detecteren en repareren gebruiken om de productintegriteit van Personal Communications te controleren. De functie Detecteren en repareren voert een controle uit op de geïnstalleerde Personal Communications-bestanden om vast te stellen of deze fouten bevatten. Vervolgens wordt zo nodig een reparatie uitgevoerd.

Opmerking: Sluit alle actieve sessies en SNA-knooppunten voordat u de functie Detecteren en repareren start.

Selecteer Snelkoppelingen herstellen tijdens reparatie als u de oorspronkelijke snelkoppelingen wilt terugzetten. Als u snelkoppelingen hebt gewijzigd sinds de oorspronkelijke installatie van Personal Communications, wilt u deze misschien liever intact houden. In dat geval selecteert u deze optie niet.

Voor het gebruik van de functie Detecteren en repareren moet u gemachtigd zijn in het systeembeleid. Het kan zijn dat u om de originele installatiebron van Personal Communications wordt gevraagd.

Personal Communications Detecteren en repareren kan zowel vanuit het venster Sessiebeheer worden gestart als vanuit een sessievenster. Reparatie van Personal Communications met behulp van Windows Installer kunt u starten via het onderdeel Software in het Configuratiescherm van Windows. Let op de hieronder beschreven verschillen in de mogelijke bewerkingen.

Met de optie Detecteren en repareren vanuit een Personal Communications-venster voert u de volgende bewerkingen uit:

Windows Installer voert de volgende bewerkingen uit: